De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 66
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
Tweede Kamer aangenomen. De behandeling door de Eerste Kamer deed
zeker niet onder voor die in de Tweede; aan het slot van de mondelinge be-
handeling deed minister Kuyper een hartstochtelijk beroep op de senatoren:
'zou het niet voortreffelijk zijn als diezelfde gelukkige constellatie, die in
1848 Thorbecke en Groen van Prinsterer samen bracht, zich ook nu herhaal-
de, en indien de linkerzijde ook in deze Kamer de eer van ook voor deze
vrijheid van hooger orde den strijd te hebben aangebonden, niet overliet aan
de Christelijke partijen, maar er ook zelve haar aandeel in opeischte?'*' Het
mocht niet baten; met 27 tegen 22 stemmen werd het wetsontwerp door de
Eerste Kamer verworpen.
De ministerraad besloot des anderen daags het niet bij deze verwerping van
het wetsontwerp te laten. *^ Als gevolg van een wijziging van de samenstelling
van provinciale staten van Zuid-Holland in 1904, waar een rechtse meerder-
heid was ontstaan, zou bij een ontbinding van de Eerste Kamer ook daar een
rechtse meerderheid te verwachten zijn. Daarom besloot het kabinet de
Koningin een voordracht tot ontbinding van deze Kamer te doen.*^
De verkiezing van een nieuwe Eerste Kamer had het door de regering voor-
ziene gevolg en resulteerde in een rechtse meerderheid in deze Kamer, zodat
minister Kuyper korte tijd later en met een redelijke kans van slagen een
nieuw wetsontwerp tot wijziging en aanvulling van de HO-wet bij de Tweede
Kamer kon indienen. Dit ontwerp stemde overeen met het eerdere wetsvoor-
stel, dat na amendering door de Tweede Kamer was aanvaard en aan de
Eerste Kamer toegezonden. Een toelichting van de gronden, waarop dit
tweede ontwerp berustte, achtte de regering, 'na de uitvoerige zoo schrifte-
lijke als mondelinge gedachtenwisseling tussen de Staten-Generaal en haar
over het vorig ontwerp, overbodig'.*'' Op een vrij voorspoedige behandeling
door de Tweede Kamer*^ volgde een ditmaal wel succesvolle behandeling
door de Eerste: op 22 mei 1905 aanvaardde de Senaat het wetsontwerp met
27 tegen 15 stemmen.** De datum van inwerkingtreden van de wet werd be-
paald op 6 juh 1905."
II.2.3. De voorwaarden voor aanwijzing
Evenals in 1876*^ is bij de behandeling van de ontwerpen-Kuyper de vraag
aan de orde geweest of de staat de effectus civilis wel uit handen mag geven
en toekennen aan particuliere organisaties. Betoogd werd, dat de staat de
61. HandeUngen I 1903-1904, blz. 491.
62. Zie De Ru, blzz. 143 e.v.
63. Vgl. De Ru, blz. 145, KB van 19 juli 1904, Stb. 194.
64. Bijlagen bij de Handelingen II 1904-1905, no. 114.
65. Voor de openbare behandeling van het ontwerp zie Handelingen II 1904-1905,
blzz. 1064-1130 en 1277.
66. Handelingen I 1904-1905, blz. 471.
67. De koningin tekende de wet nog diezelfde dag: wet van 22 mei 1905, Stb. 141; in
doorlopende nummering der artikelen opnieuw gepubliceerd in Stb. 181. De datum van
invoering werd vastgesteld bij KB van 6 juni 1905, Stb. 180.
68. Zie par. 1.7.4.4.
56
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's