De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 20
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
wat de Openbare scholen betreft door Ons zal worden geregeld'.^' Merk-
waardig in al deze commentaren is, dat geen der auteurs aandacht schonk aan
de Grondwet en de plaats daarvan bij een eventuele regeling van het onder-
wijs.
Na vele, soms ingrijpende wijzigingen in het commissie-ontwerp diende de
regering op 11 december 1829 een eigen ontwerp van wet in bij de Staten-
Generaal.^^ In de verschillende afdehngen van de Tweede Kamer werd dit
ontwerp in het algemeen negatief beoordeeld. Aanvankelijk toonde de
Koning zich bereid tot tegemoetkomingen aan de oppositie. Tot de conces-
sies, die hij bereid was te doen, behoorde de opheffing van het Collegium
Philosophicum.*' Dit had tot gevolg, dat naast de opponenten, die deze
concessies volstrekt onvoldoende achtten, nu ook de voorstanders van het
onderwijsmonopohe van de overheid zich roerden. ^ Toen bleek, dat voor
het wetsontwerp in de Tweede Kamer geen meerderheid te vinden zou zijn,
werd het bij Koninklijke Boodschap van 27 mei 1830 ingetrokken. Tege-
lijkertijd werd in een aantal onderwijsverordeningen wijziging gebracht.^'
Ten aanzien van het hoger onderwijs bepaalde dit besluit, dat voortaan ieder-
een, die over de nodige kundigheden beschikte, ongeacht waar of hoe ook
opgedaan, zou worden toegelaten tot het afleggen van universitaire examens
en het verkrijgen van academische graden.''^ Deze vrijheid om op grond van
buiten een officiële onderwijsinstelling opgedane kennis en ervaring examen
te doen wordt aangeduid als de vrijheid van studiekeuze.
1.3. De periode 1830-1845
Het KB van 1830, korte tijd later gevolgd door de Belgische afscheiding,
betekende de afsluiting van een fase in de schoolstrijd. Aanvankelijk geken-
merkt door een steeds krachtiger overheidsingrijpen — de opheffing van de
klein-seminaries in de zuidelijke provincies; de instelling van het Collegium
Philosophicum; een verbod op studeren buiten Nederland - , ebde die over-
heidsinvloed later weer snel weg.''^ Het KB van 1830 betekende dan ook het
failliet van het tot dan toe gevoerde onderwijsbeleid.'^
De afscheiding van België bracht in de voormalige zuidelijke provincies de
zo fel begeerde vrijheid van onderwijs. Onder gebruikmaking daarvan werd in
Leuven een Katholieke Universiteit gesticht, die aan de katholieken over de
67. Aldus Groen van Prinsterer in een nota aan de koning dd. 13 oktober 1829. 'Binn.
Zaken 13 Oct. 1829 no /A. la D', geciteerd bij De Nooy, blz. 108. Groen vereenzel-
vigde in deze nota publiek onderwijs met openbaar onderwijs; voor het eerst werd weer
onderscheiden tussen openbaar en bijzonder onderwijs.
68. Vgl. De Nooy, blzz. 125 e.v.
69. KB van 9 januari 1830, no. 92; vgl. De Nooy, blz. 126.
70. Vgl. De Nooy, blz. 127.
71. KB van 27 mei 1830, no. 119; vgl. De Nooy, blzz. 157 e.v.
72. De uitvoering van dit besluit werd nader geregeld bij KB van 28 juni 1830.
73. De genoemde maatregelen werden alle ongedaan gemaakt, de laatste met het KB van
27 mei 1830.
74. Vgl. De Nooy, blz. 145.
10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's