De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 53
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
wetenschappelijk onderwijs, de balans heeft laten doorslaan in het nadeel van
de nog te stichten bijzondere instellingen is in de situatie van 1876 wel be-
grijpelijk. Van bijzondere instellingen was nog maar amper sprake; er bestond
een duidelijke scepsis ten aanzien van de vraag wat dergelijke instellingen
Nederland wel te bieden zouden hebben. Het is niet verrassend, dat de wet-
gever in de gegeven situatie koos voor de handhaving van de kwaliteit van de
uitoefening van ambten en bedieningen. Een hernieuwde afweging van de
verschillende belangen zou in 1905 tot een ander en ook meer bevredigend
resultaat leiden.
1.7.5. Het theologisch hoger onderwijs
.7.5.1. De faculteit der godgeleerdheid
Nadat sedert de totstandkoming van de Lager-Onderwijswet in 1857 was
komen vast te staan, dat het openbaar onderwijs voortaan neutraal moest
zijn, zat de overheid met het — tot dusverre hervormd — onderwijs aan de
theologische faculteiten van de rijksuniversiteiten nogal omhoog. Twee van
de vier ontwerpen van wet tot regehng van het hoger onderwijs trachtten 'de
eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen' in het hoger onderwijs te
verwezenlijken door het theologisch onderwijs uit het openbaar hoger onder-
wijs geheel uit te sluiten. Het eerste ontwerp-Heemskerk kende geen theolo-
gische faculteiten, terwijl het ontwerp-Fock zelfs geheel met het faculteiten-
systeem brak, blijkbaar alleen om de theologische faculteit geruisloos te doen
verdwijnen.^'*
In de beide wetsontwerpen van 1874 keerden de theologische faculteiten
terug als faculteiten der godsdienstwetenschap. Het onderwijs in deze facul-
teiten zou 'zuiver wetenschappelijk' zijn en zonder leerstellig te zijn betrek-
king hebben op al wat met het verschijnsel godsdienst verband houdt. Omdat
echter tot dan toe de opleiding van hervormde predikanten door de theolo-
gische faculteiten aan de openbare universiteiten werd verzorgd^'' zou door
een gewijzigde inrichting van het onderwijs in de theologische faculteiten de
Hervormde Kerk zonder opleidingsmogelijkheden komen te zitten. Een
faculteit der godsdienstwetenschap zou voor de opleiding van deze predikan-
ten immers niet meer geëigend zijn. In het tweede ontwerp-Heemskerk werd
voorgesteld de Hervormde Kerk voor dit verlies te compenseren door haar
voortaan jaarlijks een bedrag ter grootte van de tot dan toe door het Rijk
gedragen kosten voor de opleiding beschikbaar te stellen. Daarnaast zouden
de bestaande seminaries en kweekscholen in het genot blijven van de reeds
bestaande rijkssubsidies.^*" Deze subsidiëring zou als een verkregen recht
worden voortgezet, terwijl aan die kerkgenootschappen, die dit recht niet
hadden verkregen — zoals de afgescheidenen met hun theologische hoge-
278. Vgl. DeRu, blz. 17.
279. Art. 116 Organiek Besluit 1815 bepaalde, dat niemand bij het hervormd kerkge-
nootschap als predikant zou kunnen worden toegelaten zonder tenminste de graden van
kandidaat in zowel de letteren als de theologie aan een openbare hogeschool te hebben
behaald.
280. Op grond van art. 58 Organiek Besluit 1815; zie hiervoor blz. 5.
43
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's