De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 195
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
lijks een grens te trekken valt. De universitaire gemeenschap omvat bij de
rijksinstelüngen de drie universitaire geledingen van wetenschappelijk perso-
neel, niet-wetenschappelijk personeel en studenten. Bij de rijksinstellingen
valt de universitaire gemeenschap samen met de in de wet WO bedoelde
rechtspersoonlijkheid bezittende openbare universiteiten en hogescholen.'*^'
De bijzondere instellingen daarentegen vormen niet een van de rechts-
persoon, waarvan zij uitgaan, te onderscheiden entiteit; de bijzondere univer-
siteiten en hogescholen bezitten geen eigen rechtspersoonlijkheid en kunnen
als zodanig niet in rechte worden aangesproken of verplichtingen aangaan.
Zou men bij de bijzondere instellingen willen spreken van een universitaire
gemeenschap, dan komt men onmiddellijk voor de vraag te staan wie daar
wel en wie daar niet toe behoren. Behoren, bijvoorbeeld, de bestuursleden
van de rechtspersoon, waar een bijzondere instelhng van uit gaat, en die eén
centrale plaats in de instelhng innemen nu wel of niet tot de universitaire
gemeenschap?
De rechtspersonen en de van haar uitgaande bijzondere insteUingen van
wetenschappelijk onderwijs zijn dus onafscheidelijk, zij vormen een onver-
breekbare eenheid. Is scheiding werkelijk onmogelijk? Ja, want wanneer een
bijzondere instelhng een duidelijk en juridisch onderscheiden geheel zou zijn,
dan komt men voor de vraag te staan wie zich nu eigenlijk kan beroepen op
de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. Over wiens vrijheid spreekt men
dan? , wiens vrijheid moet worden gewaarborgd? Het is duidelijk, dat dit
alleen de rechtspersoon kan zijn. Inderdaad zijn daarom de rechtspersonen
en de van hen uitgaande bijzondere instellingen onafscheidelijk; dit recht-
vaardigt, dat de Stichting KU zich verzette tegen een splitsing van de struc-
tuurregehng in een structuurregehng en een bestuursreglement. De eigen aard
van de bijzondere instellingen brengt met zich mee, dat de universitaire ge-
meenschap rechtens ontbreekt.
III. 10. Verdere voorwaarden voor bekostiging
III. 10.1. De planning
Bij de invoering in 1960 van ontwikkelingsplannen en financiële schema's
hadden de bijzondere instellingen hun bezwaren tegen een dergelijk verkapt
toezicht op de uitgaven niet onder stoelen of banken gestoken.''^* In 1971
legde minister De Brauw een nog veel ambitieuzer plan op tafel. Van zijn
hand verscheen een Nota inzake verbetering van de planning van het post-
secundaire onderwijs in Nederland.'*^'' Deze nota werd spoedig gevolgd door
een voorontwerp van wet, houdende voorzieningen inzake de planning van
het onderwijs."*'* In een dertiental wetsartikelen werd voorzien in de in-
stelling van een Stuurgroep Postsecundair Onderwijs en 'een Onderwijs Plan-
495. Art. 34 lid 1 wet WO.
496. Ziepar. III.6.1.
497. Bijlagen bij de Handelingen II 1971-1972, no. 11583.
498. Rondgezonden bij brief dd. 14 juni 1972, DGW/AZW 223194.
183
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's