De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 31
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
van de ouderlijke macht — aan de uiteindelijke wetstekst ten goede gekomen.
Buijs koesterde daartegen als bezwaar, dat de grondwetgever op de stoel van
de wetgever zou zijn gaan zitten. 'De ware grief tegen het artikel ligt dan ook
niet in zijne onbestemdheid, maar veeleer daarin, dat het een te afgerond
stelsel van schoolwetgeving aan de gewone wet oplegt'.^^^ Struycken voelde
weer als bezwaar, dat het onderwijsartikel te lang is bezien 'onder het licht,
waaronder een overspannen Hberahsme met zijne eenzijdige voorkeur voor
het overheidsonderwijs' het had geplaatst.'^^
Hoe dit ook zij, sedert 1848 behoort de vrijheid van onderwijs tot het palet
van grondwettelijke gewaarborgde rechten en vrijheden, die iedere staats-
burger kan uitoefenen zonder telkens de overheid op zijn weg te hoeven
ontmoeten en waarin de overheid ook niet of slechts onder bepaalde voor-
waarden mag treden^^' en die men thans als grondrechten aanduidt. Toch
plaatst de vrijheid van onderwijs ons ook als grondrecht nog wel voor een
enkel probleem.
De onderwijsvrijheid is een 'vrijheid voor en van allen"^^ en heeft in die zin
de strekking van een waarborg van de vrijheidssfeer van de individuele burger
tegen inbreuken van de zijde van de overheid. De vrijheid van onderwijs
vestigt een aanspraak op overheidsonthouding; daarom wordt dit grond-
recht gerekend tot de klassieke of liberale grondrechten.^^^ Dit is van belang,
omdat art. 194 van de Grondwet 1848 wèl aan iedere staatsburger de vrijheid
gaf om instellingen van onderwijs op te richten en wèl aan ouders van school-
gaande kinderen — of uiteraard in voorkomende gevallen aan die kinderen
zelf — de vrijheid verleende om een school te kiezen, waarvan de richting
strookte met hun opvattingen (de vrijheid van schoolkeuze), maar de erken-
ning van de vrijheid van onderwijs verschafte aan ouders of hun kinderen
geen positieve aanspraak jegens de overheid om — gesteld, dat naast de open-
bare school geen andere onderwijsinstellingen voorhanden zouden zijn en als
gevolg daarvan de vrijheid van schoolkeuze zinledig zou worden - die maat-
regelen te treffen, die een daadwerkelijke schoolkeuze mogelijk zouden
maken. Pas wanneer van de vrijheid van onderwijs gebruik is gemaakt, met
andere woorden: een bijzondere school is opgericht, ontstaat de mogelijk-
heid en daarmee de facto de vrijheid van schoolkeuze. De vrijheid van onder-
wijs verhoudt zich daarom ten opzichte van de vrijheid van schoolkeuze als
135.T.a.p. 769. Vgl. de opvatting van de Staatscommissie voor de herziening van de
Grondwet van 1883: 'De Grondwet van 1848 heeft in menig opzicht de natuurlijke ont-
wikkeling van de Staatsinstellingen belemmerd'.
136. Prof.mr. A.A.H. Struycken: 'De Grondwet haar karakter en waarde', 1914,
blz. 49.
137. Vgl. het tweede rapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en
de Kieswet, de commissie Cals/Donner, ingesteld bij KB van 26 augustus 1967, blzz. 28
e.v.
138. Aldus het Tweede Kamerlid Mackay in 1848.
139. Zie mr. C.B. Burkens: 'Beperking van grondrechten', ac.pr. RU Utrecht 1971,
blz. 7; Tweede en Eindrapport commissie Cals/Donner; prof.mr. T. Koopmans: 'Vrij-
heden in beweging', voordracht dd. 5 maart 1976.
21
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's