Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 56

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 56

Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

2 minuten leestijd

II. De voorwaarden voor erkenning

II.l. Het bijzonder hoger onderwijs in de periode 1876—1901

II. 1.1. De stichting van de Vrije Universiteit

Vóór 1848 was al herhaaldelijk op de stichting van vrije universiteiten aange-

drongen. Sedert 1823 bepleitte de katholiek Lesage ten Broek de oprichting

van een R.K.-universiteit.^ Ook Thorbecke besteedde aandacht aan het

vraagstuk van de vrije universiteitsstichting. ^ Maar terwijl elders in Europa

vrije universiteiten ontstonden naast de openbare,^ was in Nederland van de

in 1848 door de Grondwet geboden vrijheid van onderwijs vóór 1876 slechts

een zeer spaarzamelijk gebruik gemaakt om bijzondere instellingen van hoger

onderwijs op te richten. Tot de oprichting van instellingen, die zich 'universi-

teit' noemden, was het zelfs in het geheel niet gekomen.

De totstandkoming van de Hoger Onderwijswet in 1876 betekende voor

het hoger onderwijs niet alleen een bevestiging en nadere uitwerking van het

grondwettelijk beginsel, maar was tevens de eerste aanleiding om van de ge-

boden vrijheid gebruik te maken door de stichting van een bijzondere, vrije

universiteit. 'Na eerst de volksschool ontkerstend en de middelbare school als

bederf in het midden des lands te hebben geplaatst' had het de meerderheid

in de Staten-Generaal behaagd 'nu ook aan onze hoogescholen en met name

aan de beoefening der H. Godgeleerdheid, bij eindregeling een zoo heillooze

inrichting te geven, dat de Gereformeerden in den lande voor God onverant-

woord zouden staan en aan de eervolle traditiën hunner vaderen ontrouw

worden, indien ze nog langer dit ergerlijk verloop der dingen aanzagen'.'* Op

1. Zie Brom, bizz. 1 e.v.

2. Zie zijn 'Over het Bestuur'; vgl. Scholten, blz. 68.

3. In 1903 deed minister Kuyper van Binnenlandse Zaken een 'overzicht van eenige

buitenlandsche wetgevingen betreffende de verhouding van den Staat tot het hooger on-

derwijs' opstellen; Bijlagen bij de Handelingen II 1902—1903, no. 135. Dit overzicht ver-

meldde, dat België twee bijzondere universiteiten telde: de universiteit te Leuven en de

Université Libre te Brussel; de engelse universiteiten zouden tot in de 19e eeuw voUedig

vrij geweest zijn, maar na de Oxford University Act 1854 nam de overheidsinmenging gelei-

delijk toe; Italië kende vier vrije universiteiten, maar vooral in de Verenigde Staten

werden grote en belangrijke universiteiten vaak door particuliere stichtingen in het leven

geroepen.

4. Aldus dr. A. Kuyper in een circulaire 'aan de gereformeerden in den lande' van 1878;

zie dr. J.C. RuUman: 'De Vrije Universiteit', 1930, blz. 21; Kasteel, blzz. 241-242.

46

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's

De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 56

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978

Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's