De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 225
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
IV.5.2. De vrijheid van inrichting als sequeel van de vrijheid van richting
De richting van een universiteit of hogeschool is van invloed op de inrichting
van het onderwijs. Om te beginnen verschilt de inhoud van het bijzonder
onderwijs van die van het openbare. In zijn meest elementaire vorm komt dit
tot uitdrukking in de opneming van het godsdienstonderwijs in het onder-
wijsprogramma van de confessionele bijzondere lagere en middelbare
scholen. Evenals bij deze beide onderwijsvormen is de richting ook voor het
bijzonder wetenschappelijk onderwijs echter meer dan alleen een addendum
op het openbaar onderwijs. De richting dient bij de onderscheiden vakken te
worden betrokken om aldus het gehele onderwijs te doortrekken.''^ Tussen
het onderwijs en de richting dient een bepaalde relatie te worden opgebouwd
of in stand gehouden.
Bij de opening in 1880 heeft Kuyper aangegeven op welke wijze de richting
de inrichting van het onderwijs aan de VU zou moeten bepalen.''^ Tot op de
huidige dag onderscheidt de inrichting van het onderwijs aan de VU zich van
de inrichting van het openbaar onderwijs.'^^ Men zou echter kunnen be-
togen, dat de vrijheid van inrichting van het onderwijs van de bijzondere in-
stellingen niet groter is dan die van de openbare. De wet WO noch de Grond-
wet hebben met zoveel woorden de vrijheid van inrichting erkend, slechts is
het zo, dat de wet de beide soorten instellingen ruimte en vrijheid heeft
gelaten om aan de hand van summiere omschrijvingen het wetenschappelijk
onderwijs nader in te richten.
Toch genieten de bijzondere universiteiten en hogescholen wel degelijk een
grotere vrijheid van inrichting dan de openbare instellingen. Dat is gebleken
bij de erkenning en bekostiging van de faculteiten der godgeleerdheid aan de
beide bijzondere universiteiten'^ en van de theologische hogescholen.'^^
Juist op grond van de richting van dit onderwijs in de godgeleerdheid heeft
de wetgever de bijzondere instellingen een grote vrijheid tot het inrichten van
het onderwijs in deze studierichting gegeven. De vrijheid van inrichting als
sequeel van de vrijheid van richting is hier dan ook in feite door de wetgever
erkend.
De consequentie van dit alles is, dat de bijzondere instelhngen ook voor de
toekomst de vrijheid zullen moeten behouden om ook op andere terreinen
het onderwijs anders dan het openbaar onderwijs in te richten. Dit zal tot
uitdrukking kunnen komen bij de instelling door de bijzondere universiteiten
en hogescholen van nieuwe studierichtingen of leerstoelen, die nauw met de
eigen aard van deze instellingen samenhangen.
131. Vgl. een artikel in Trouw dd. 18 juni 1977: 'De bijbel bij alle vakken betrekken',
naar aanleiding van de benoeming van een 'identiteitsbegeleider' door de Vereniging voor
Christelijk Onderwijs in Enschede.
132. 'Souvereiniteit in eigen kring', blzz. 33—34; zie par. II. 1.2.
133. Zie bijvoorbeeld mr. G.E. Langemeijer: 'Nogmaals Inleiding. Een vergelijkend
warenonderzoek', in NJB 1977, nr. 22.
134. Artt. 33bis en 33ter wet WO; zie par. 111.6.3.
135. Ziepar. II.5.4.
213
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's