De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 234
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
versiteit stichtte. Het onderwijs aan de VU ging uit van de eigen gereformeer-
de beginselen.
Omdat de VU de effectus civilis moest ontberen kon haar onderwijs slechts
voorbereiden op examens bij de openbare universiteiten; het onderwijs in de
faculteit der theologie werd daarenboven door de gereformeerde kerken
erkend als een voorbereiding op de kerkelijke examens. Pas in 1905 maakte
de wet-Kuyper de aanwijzing van rechtspersonen als bevoegd tot het hebben
van bijzondere universiteiten mogelijk, die ten aanzien van te verlenen docto-
raten gelijke rechten zouden hebben als de openbare universiteiten.^ De theo-
logische faculteiten bij de bijzondere universiteiten werden van de mogelijk-
heid van aanwijzing uitgesloten; zij hadden daaraan ook geen behoefte.
Dankzij de wet-Kuyper kon het bijzonder wetenschappelijk onderwijs zich
gaan ontplooien en werd de weg vrijgemaakt voor de stichting van een katho-
lieke universiteit te Nijmegen. Toen in 1937 ook het hoger handelsonderwijs
onder de werking van de HO-wet was gebracht, volgde in 1939 bovendien de
aanwijzing van de beide handelshogescholen te Rotterdam en te Tilburg.
Deze bijzondere instellingen hebben een eigen aard, welke tot uitdrukking
komt in de richting of de inrichting van het onderwijs aan deze universiteiten
en hogescholen. Juridisch komt deze eigen aard tot uiting door het privaat-
rechtelijk karakter van deze instellingen.
Het gebeurde tijdens en na de tweede wereldoorlog leidde tot een kente-
ring in de wijdverbreide opvatting, dat wetenschapsbeoefening geen geeste-
lijke grondslag zou kunnen hebben. In de jaren zestig werd zelfs wel gepleit
voor een marxistische wetenschapsbeoefening aan de Nederlandse universitei-
ten en hogescholen. Tegenwoordig wordt ook de neutrahteit van het open-
baar lager en middelbaar onderwijs wel ter discussie gesteld. Betwijfeld mag
intussen worden of een positieve neutraliteit - op zich reeds een contra-
dictio in terminis — meer zal kunnen bevredigen dan de huidige neutraliteit
van het openbaar lager en middelbaar onderwijs.
De grondwettelijke erkenning van de formele vrijheid van onderwijs stelde
ook de vraag van de materiële vrijheid aan de orde. Van 1857 tot 1889 werd
betwist of de Grondwet de subsidiëring van het bijzonder onderwijs wel toe-
stond. Nadat in 1889 de Lager Onderwijswet-Mackay een zekere mate van
subsidiëring van het bijzonder lager onderwijs mogelijk maakte, stelde de
Grondwet pas in 1917 het openbaar en het bijzonder lager onderwijs, waar-
van de deugdelijkheid afdoende is gewaarborgd, financieel gelijk. Tevens
werd bepaald, dat ook andere vormen van bijzonder onderwijs uit 's Rijks
kas bekostigd zouden kunnen worden.
De aangewezen bijzondere universiteiten en hogescholen genoten aanvan-
kelijk op zeer uiteenlopende manieren financiële steun van verschillende
lagere overheden en ook van het Rijk. De in 1948 aanvaarde wet-Gielen
bracht deze financiële steun op een uniforme, wettelijke noemer. Daarmee
kwamen de betrokken bijzondere instellingen tevens in een vicieuze cirkel
terecht. De eerste financiële steun van de overheid op grote schaal stimuleer-
2. Naast het begrip aanwijzing hanteert de wet op het Wetenschappelijk Onderwijs
sedert 1960 ook de term 'erkenning'.
222
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's