De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 220
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
IV.4.3. Wie bepaalt de richting van een bijzondere instelling'^
De Grondwet garandeert wel de vrijheid van richting, maar geeft daarbij niet
aan wiens vrijheid dit is. Zijn het de stichters en beheerders van de bijzondere
instellingen, de docenten of misschien zelfs de studenten, die de richting van
het onderwijs bepalen? Daarmee verband houdt de vraag, wie bepaalt of een
bepaalde handelwijze al dan niet met de eigen aard van een bijzondere instel-
ling in overeenstemming is en op welke wijze de vormgeving van de eigen
aard zal geschieden. Deze vragen genieten een grote actualiteit. Aan de beide
bijzondere universiteiten wordt al geruime tijd een somtijds heftige polemiek
gevoerd terzake van de verenigbaarheid van met name communistische
sympathiën en activiteiten met de doelstellingen van deze universiteiten.'"^
Aan de KHT is zelfs de vraag gerezen of de confessionele signatuur nog wel
gehandhaafd moet en kan blijven.'"*
Voorop gesteld kan worden, dat een universiteit of hogeschool in de eerste
plaats een instrument is, waar studenten worden onderwezen en wetenschap
wordt bedreven. Ieder, die een insteOing van wetenschappelijk onderwijs
opent, doet dat in beginsel met een bepaald doel voor ogen. Het doel, dat de
stichters en later de beheerders van de drie bijzondere instellingen voor ogen
heeft gestaan en nog staat, is om onderwijs te geven en wetenschap te bedrij-
ven op gereformeerde, c.q. katholieke grondslag. Om dat doel te verwezen-
lijken was de stichting van een bijzondere universiteit of hogeschool nodig.
De principiële bestaansgrond van deze instellingen blijft dan ook de ver-
wezenlijking van het doel, dat de stichters en hun opvolgers voor ogen
staat."' Zij zijn het derhalve, die de richting van de bijzondere instellingen
bepalen.
Op grond hiervan berust de exclusieve bevoegdheid tot het bepalen van de
richting van een bijzondere instelling bij de rechtspersoon, waar die insteUing
van uitgaat, en de binnen de rechtspersoon bevoegde organen. Tot deze
laatsten behoren in de regel niet bestuursorganen als het college van bestuur
en de universiteits- of hogeschoolraad, wier taak voornamelijk is het dagelijks
bestuur van de instelling. Tenzij de statuten van de rechtspersoon anders be-
palen — en dit is terecht nergens het geval — ligt het ook niet voor de hand,
dat deze bestuursorganen zich mengen in de keuze van de richting. Deze
organen, met name de universiteits- en hogeschoolraden, zijn vertegenwoor-
digende lichamen, waarin studenten, docenten en medewerkers van een in-
stelling zitting hebben. Wanneer studenten zich met de keuze van de richting
zouden gaan bezig houden, dan zou dit daarom oneigenlijk zijn, omdat deze
studenten door middel van de vrijheid van schoolkeuze — en als deze keuze
al beperkt is, dan zijn de bestaande bijzondere instellingen wel de laatsten
aan wie men zulks kan verwijten — in beginsel steeds de mogelijkheid hebben
109. Zie o.a. de door het college van bestuur van de VU uitgegeven brochure 'Doel-
stelling VU en Statuten CPN', dd. 22 april 1976.
110. Zie notulen hogeschoolraad KHT van mei 1977; vgl. Ad Valvas dd. 3 juni 1977
(weekblad van de VU).
111. Door wijziging van statuten of reglementen kan in de oorspronkehjke doelstellin-
gen wel wijziging worden gebracht.
208
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's