De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 188
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
1973 volledig een feit.^^ Sindsdien telt Nederland nog slechts drie bijzon-
dere instellingen van wetenschappelijk onderwijs, die zowel erkend als bekos-
tigd zijn.
Tenslotte is op 9 januari 1976 een rijksuniversiteit te Maastricht ge-
sticht."*'' Op deze universiteit zijn wel de bepalingen van de wet WO en de
WUB van toepassing, maar alleen voor zover bij algemene maatregel van be-
stuur niet anders is bepaald.'**" Van deze mogelijkheid om van de bestaande
wetgeving af te wijken is voor de Rijksuniversiteit Limburg in vrij ruime mate
gebruik gemaakt.'**'
III.9.6 De bestuurshervorming als voorwaarde voor bekostiging
In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp werd het volgende opge-
merkt.'**^ 'Het spreekt vanzelf dat deze uitbreiding van de voorwaarden voor
erkenning en bekostiging de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van het
onderwijs en de bijzondere universiteiten niet zal mogen aantasten. De voor-
naamste waarborg dat dit niet zal geschieden is allereerst gelegen in het feit
dat het recht van benoeming en ontslag van de hoogleraren en lectoren als
recht van het bestuur van de vereniging of stichting, waarvan de bijzondere
instelUng uitgaat, onaangetast blijft; voorts dat het overige personeel even-
eens zonder vorm van inspraak van de zijde van de overheid zal worden be-
noemd en ontslagen door het orgaan van de instelling, dat op grond van de
bij of krachtens de statuten van de vereniging of stichting de bevoegdheid
daartoe is toegekend. Ook in andere opzichten zal het verenigings- of stich-
tingsbestuur als bestuur van de moederorganisatie ten opzichte van de bijzon-
dere universiteit of hogeschool een positie blijven innemen analoog aan die
van de rijksoverheid ten opzichte van de rijksinstelhngen'.*"
Op deze stellige uitspraak valt wel wat af te dingen. In de eerste plaats is
het helemaal niet zo vanzelfsprekend, dat een voorwaarde voor erkenning en
bekostiging niet een beperking van de vrijheid van onderwijs inhoudt. Ver-
schillende voorwaarden betekenden wel degelijk een beperking van de vrij-
heid van onderwijs, maar waren niettemin om uiteenlopende redenen toch
als vrijwillig aanvaarde, speciale restricties van het grondrecht aanvaardbaar.
Vervolgens moet er op worden gewezen, dat de genoemde waarborgen alleen
betrekking hebben op de vrijheid van benoeming van docenten. Daarmee is
echter bepaald nog niet de gehele vrijheid van onderwijs gewaarborgd; een
tweede passage uit de toeüchting bij het ontwerp-Veringa besteedde daaraan
nadere aandacht.
'In de kringen van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs zijn velen be-
grijpelijkerwijs ook thans nog geneigd sterk te hechten aan de gedachte dat
de vrijheid van richting . . . de vrijheid van inrichting insluit. Dit zou dan niet
458. Wet Rijksuniversiteit Rotterdam van 17 januari 1973, Stb. 8.
459. Wet Rijksuniversiteit Limburg van 3 december 1975, Stb. 717.
460. Art. 3 Ud 1 van de Wet Rijksuniversiteit Limburg.
461. Zie KB van 24 december 1975, Stb. 733; K.B. van 7 april 1977, Stb. 240.
462. Het valt op, dat ondanks de ingrijpende wijzigingen in het ontwerp deze toelich-
ting gelijk is aan die bij het voorontwerp.
463. Zie blz. 16 van de Memorie van Toelichting bij het ontwerp-Veringa.
176
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's