De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 41
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
van de wetenschapsbeoefening een rol. De wetenschap kon mede voor de
opleiding dienstbaar gemaakt worden. Men moet onderkennen, dat dan ook
in wezen de opleidende taak van de universiteiten een oneigenlijke is; tot het
eigenlijke wetenschappelijk onderwijs behoort zij niet.
1.7.3. De academische graden
.7.3.1. D o c t o r a t e n en s t a a t s e x a m e n s
In 1849 stelde de Hooger Onderwijs Commissie voor om voortaan onder-
scheid te maken tussen zuiver wetenschappelijke doctoraten en afzonderlijk
af te nemen staatsexamens. De doctoraten zouden dan zijn te beschouwen
als afsluiting van de wetenschappelijke vorming, terwijl slechts het afleggen
van een staatsexamen voor een onafhankelijke commissie toegang zou
kunnen geven tot de uitoefening van ambten en bedieningen.^"-^ Dit onder-
scheid tussen wetenschappelijke graden en staatsexamens sloot aan bij het in
de vorige paragraaf geschetste onderscheid tussen wetenschappelijke vorming
en opleiding. In de praktijk betekende het voorstel, dat aan de openbare
instellingen van hoger onderwijs de opleiding zou worden onttrokken; het
wetenschappelijk onderwijs zou zich derhalve uitsluitend op de wetenschaps-
beoefening en de wetenschappelijke vorming moeten concentreren.
Het voorstel van de commissie vond aanvankelijk instemming. De Bosch
Kemper steunde het, omdat het hoger onderwijs zijn heilzame vruchten zou
verliezen, 'wanneer er slechts gestudeerd wordt voor het examen'.^^ In het
eerste ontwerp-Heemskerk en in het ontwerp-Fock werd de invoering van
staatsexamens voorgesteld; het ontwerp-Geertsema kende aan academische
graden een wetenschappelijke betekenis toe, maar de mogelijkheid werd
open gehouden om aan deze graden bij Koninklijk Besluit de bevoegdheid
tot het uitoefenen van ambten en bedieningen te verbinden.
Het tweede ontwerp-Heemskerk brak geheel met de staatsexamens en ver-
bond aan het behalen van een academische graad aan een rijksuniversiteit het
automatisch rechtsgevolg, dat men bevoegd werd tot het bekleden van amb-
ten en functies, waartoe zij, die niet in het bezit van een dergelijke graad
waren, in beginsel onbevoegd zouden zijn. Dit automatisch rechtsgevolg
wordt de effectus civilis van de academische graad genoemd. Dienovereen-
komstig bepaalde ook de wet, dat de graad van doctor 'in het algemeen de
aan dien graad bij deze en andere wetten verbonden bevoegdheid tot het
geven van onderwijs en tot het uitoefenen van ambten en bedieningen' ver-
schafte.^*'^ Deze graad zou verkregen kunnen worden door het afleggen van
202. Extreem is de opvatting van de secretaris van de commissie, Opzoomer: 'De her-
vorming onzer Hoogescholen; blzz. 38 e.v. Hij maakte onderscheid tussen zuiver weten-
schappelijke vorming en de beroepsopleiding. Het universitair ondervnjs zag hij allereerst
als een beroepsopleiding,' terwijl de wetenschappelijke vorming facultatief gesteld zou
kunnen worden. De staat zou slechts zorg te dragen hebben voor het onderwijs in die
vakken, die directe waarde voor de praktijk hebben.
203. T.a.p. blz. 922, waar hij ook schrijft, dat 'een akademische graad en het afleggen
van een staatsexamen twee afgescheiden zaken' moeten zijn.
204. Art. 91 HO-wet.
31
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's