De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 138
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
de behandeling van het ontwerp door de Tweede Kamer is deze vraag althans
door een gedeelte van de Kamer in positieve zin beantwoord.^'' Daar is reden
toe.
Naar de redactie van het onderwijsartikel sloot de Grondwet al sedert 1917
de bekostiging van het bijzonder hoger onderwijs niet uit. Het vijfde lid van
het onderwijsartikel bepaalde immers, dat de eisen van deugdelijkheid, aan
het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen,
bij de wet worden geregeld. Dit vijfde lid zou echter een overbodige bepahng
zijn, wanneer de grondwetgever alleen het oog op bekostiging van het
bijzonder algemeen vormend lager, middelbaar en voorbereidend hoger
onderwijs zou hebben gehad, omdat de bekostiging van deze vormen van bij-
zonder onderwijs in de op het vijfde hd volgende leden afzonderlijk werd
geregeld. Het vijfde lid heeft dus beslist de bedoeling gehad om de mogelijk-
heid van bekostiging van andere vormen van bijzonder onderwijs dan de in de
Grondwet met zoveel woorden genoemde open te houden. Slechts omdat het
de exphciete bedoeling van de regering was om het bijzonder hoger onderwijs
voorlopig buiten de bekostiging te houden is aanvankelijk gesteld, dat het
nieuwe grondwetsartikel, voorzover daarin de bekostiging werd geregeld, niet
op het bijzonder hoger onderwijs van toepassing zou zijn.
Deze bedoeling en niet de redactie van het onderwijsartikel zijn dus tot
1948 bepalend geweest voor de interpretatie van art. 192 van de Grondwet
1917. De wet-Gielen maakte van de in lid vijf geboden mogelijkheid gebruik
door ook het bijzonder hoger onderwijs onder de bekostiging te brengen.
Terwijl echter het algemeen vormend lager en middelbaar onderwijs — open-
baar en bijzonder — geheel uit de openbare kas werd bekostigd, ging de wet-
Gielen uit van een gedeeltelijke bekostiging van de erkende bijzondere uni-
versiteiten en hogescholen. De Grondwet had met die mogelijkheid rekening
gehouden door te spreken van het 'geheel of ten deele uit de openbare kas te
bekostigen onderwijs'.
De wet-Gielen bracht het bijzonder hoger onderwijs dus voor een deel
onder de vigeur van art. 192 lid 5 van de Grondwet 1917. Derhalve moesten
aan de te bekostigen bijzondere universiteiten en hogescholen eisen van
deugdelijkheid gesteld worden. De deugdelijkheid van het onderwijs aan deze
instellingen was echter al sedert 1905 verzekerd;''^ daarom heeft de wetgever
van 1948 kunnen volstaan met het stellen van subsidievoorwaarden van
zuiver comptabele aard.
III.5.3. De wet-Gielen gewijzigd
De wet-Gielen bracht het bijzonder hoger onderwijs niet alleen subsidie,
maar daarmee ook een erkenning, die het tevoren niet had bezeten. In de
eerste plaats bleek zulks doordat de besturende colleges van de bijzondere
instellingen na 1948 volledig werden betrokken bij het geregeld overleg van
de colleges van curatoren van de rijksuniversiteiten onderling en met de
191. Zie Voorlopig Verslag^naar aanleiding van het ontwerp-Gielen, blz. 1.
192. Ziepar. II.5.3.
126
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's