De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 34
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
1.5.4. Art. 194 van de Grondwet 1848: een sociaal grondrecht?
De vrijheid van onderwijs behoort tot de klassieke of liberale grondrechten;
het onderwijsartikel berust meer op een klassieke dan op een sociale tradi-
t i e . ' " Niettemin heeft de erkenning door de grondwetgever van de onder-
wijsvrijheid ook geleid tot een verdere socialisering van dit grondwetsartikel.
Daarmee wordt bedoeld, dat tegenover de aanspraak op overheidsonthouding
verschillende leden van dit artikel zeker aanspraak jegens de overheid ver-
schaffen. In de eerste plaats eiste de Grondwet al vanaf 1814 de zorg van de
regering voor het gehele onderwijs, daarnaast vorderde het nieuwe lid 3 " ^
van de overheid, dat overal voldoende openbaar lager onderwijs gegeven zou
worden, en vestigde derhalve een aanspraak op overheidsbemoeienis.'^'* Zo
de vrijheid van onderwijs overigens geen positieve gevolgen zou hebben ge-
had, dan heeft toch de weerstand'^^ daartegen in ieder geval de totstand-
koming van de grondwettelijke waarborg van voldoende openbaar lager
onderwijs bewerkstelligd. Deze grondwettelijke waarborg ter bevordering van
de ontplooiing van de mens kan naar de thans gangbare terminologie worden
aangeduid als een sociaal grondrecht.'^^
Het ging in 1848 nog om een zeer zwak sociaal grondrecht. Een recht op
openbaar lager onderwijs ten behoeve van de individuele staatsburgers is niet
gegeven en niet bedoeld.''"^ Het sociale karakter van het derde lid van het
onderwijsartikel -- met name nog verzwakt door het gebruik van het niet-
objectiveerbare 'voldoend' — is van zuiver toevallige oorsprong: het gevolg
van de angst van een deel van de Staten-Generaal voor een het openbaar lager
onderwijs overheersend of tenminste beconcurrerend bijzonder onderwijs.
1.6. De onderwijswetgeving in de jaren 1848—1868
16.1. De voorbereiding van een hoger onderwijswet
Met het oogmerk om zo snel mogelijk een wettelijke regeling van het hoger
onderwijs tot stand te brengen stelde de regering in 1849 een Hooger Onder-
wijs Commissie in; niet zozeer om een wettelijke regeling van de vrijheid in
het hoger onderwijs voor te bereiden, maar opdat 'naauwkeurig en met de
meeste zorg onderzogt worde, op welken voet het hooger onderwijs behoort
te worden ingerigt en welke wijzigingen in de thans bestaande instellingen
moeten worden aangebragt'.'^* Deze ruime opdracht aan de commissie vloei-
152. Vgl. Koopmans: 'Vrijheden in beweging', blz. 4.
153. Lid 3 luidde: 'Er vsfordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar
onderwijs gegeven'.
154. Vgl. Burkens, blz. 7; Eindrapport commissie Cals/Donner, blzz. 212 e.v.
155. Zie het Voorlopig Verslag van de Tweede Kamer op de regeringsvoorstellen tot
grondwetswijziging sub IV (1848).
156. Vgl. Eindrapport commissie Cals/Donner, blz. 212.
157. Ook nadien is een recht op onderwijs door de Nederlandse (grond) wetgever niet
erkend. Vgl. in dit verband art. 2 van het eerste protocol bij het Verdrag van Rome, dat
een dergelijk recht wel erkent.
158. KB van 15 januari 1849, Stb. 3.
24
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's