De vrijheid van het bijzonder onderwijs - pagina 22
Academisch proefschrift ter verkrijging van de graag van doctor in de Rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
rapport van de commissie zelf werd voorgesteld om de bij het lager onderwijs
gehanteerde boeken onder censuur der geestelijken van verschillende gezind-
heden te stellen. Als gevolg daarvan zou het verphchtende karakter van de in
1806 ingevoerde boekenlijst moeten worden afgezwakt. Verder stelde de
commissie voor om in den vervolge de oprichting van bijzondere lagere scho-
len alleen om zeer gewichtige redenen te weigeren en om tegen een eventuele
weigering beroep op de Koning open te stellen. Deze voorstellen werden
door de regering overgenomen*'* echter met dien verstande, dat tegen een
weigering om een bijzondere lagere school te mogen stichten slechts beroep
op het provinciaal bestuur werd opengesteld.
In de praktijk heeft dit besluit alleen de kathoHeken enige vreugde ver-
schaft, omdat door de censuur van de R.K. geestelijken 'de deprotestanti-
seering der openbare school sinds 1842 grooten vooruitgang heeft ge-
maakt'.*^ Voor het eerst werd in dit verband ook de term 'neutraliteit'
gehanteerd:** 'De vrijheid van onderwijs en opvoeding gaan gebukt onder
eene gedwongene neutraliteit ten behoeve van het Roomsch-Katholicisme en
van een bastaard-Protestantisme'.*''
De regeringsmaatregelen konden echter niet bewerken, dat de stichting van
bijzondere scholen nu voorspoediger verliep. Niet dan na zeer veel moeite
stichtte Van der Brugghen in 1844 de eerste bijzondere school der eerste
klasse,** de Klokkenberg te Nijmegen.*'
1.4. De vrijheid van onderwijs tot 1845
Alvorens te schetsen op welke wijze de vrijheid van onderwijs in 1848 in de
Grondwet zijn beslag heeft verkregen, moet eerst nog een ogenbUk worden
stilgestaan bij de vraag, wat de tijdgenoot in de eerste helft van de negen-
tiende eeuw onder vrijheid van onderwijs verstond. Scholten'" heeft vastge-
steld, dat men tegen 1830 aan de vrijheid van onderwijs een zelfstandige
plaats had ingeruimd naast andere grondwettelijke vrijheden. Deze vaststel-
Hng is juist. Voldoende was toen inmiddels gebleken, dat een geheel of zelfs
maar in overheersende mate door de overheid beheerd onderwijsstelsel grote
groepen van de bevolking niet langer tevreden kon stellen. Vandaar dat vrij-
heid van onderwijs werd gevraagd, gewenst of soms ook geëist; daarbij be-
stond evenwel noch eenstemmigheid over de vraag ten behoeve van wie die
84. KB van 2 januari 1842.
85. Aldus Scholten, blz. 110.
86. Ten onrechte meent D. Langedijk: 'De schoolstrijd in de eerste jaren van de wet van
1857 (1857-1866)', ac.pr. VU 1937, blz. 37, dat deze term pas in 1860 zou zijn opge-
komen.
87. Uit 'Brieven van J.A. Wormser', uitgegeven door Groen van Prinsterer, deel I
(1842-1852), blz. 61.
88. De LO-wet maakte onderscheid tussen bijzondere scholen, uitgaande van particu-
lieren; dit waren de scholen der eerste klasse. De bijzondere scholen der tweede klasse,
waren de door onderwijzers gestichte en in stand gehouden scholen; deze scholen dienden
in de eerste plaats als bron van inkomsten voor de ondervnjzers en hadden derhalve een
commercieel doel.
89. Zie Langedijk, blz. 88; J.C. Rullmann: 'Gedenkboek "De Unie",' blz. 9.
90. T.a.p. blz. 62.
12
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1978
Publicaties VU-geschiedenis | 264 Pagina's