Wetenschap en rekenschap - pagina 267
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
BIOLOGIE
Het nieuwe geloof werd m.n. door Haeckel (1834-1919) in talrijke geschriften (het
meest uitgewerkt in Die Weltrathsel van 1899, dat in 25 talen werd vertaald en
waarvan alleen in Duitsland bijna een half miljoen exemplaren werden verkocht)
verkondigd. Dat Kuyper geen hersenschim maar een reëel gevaar zag — m.n. waar
het evolutie-dogma „van het sociale op het nationale leven" werd overgebracht is
inmiddels gebleken. Gould (1978) schrijft: „But,... Haeckel's greatest influence
was, ultimately, in another, tragic direction — national socialism. His evolutionary
racism; his call to the German people for racial purity and unflinching devotion to
a „just" state; his belief that harsh, inexorable laws of evolution ruled human
civilization and nature alike, conferring upon favored races the right to dominate
others; the irrational mysticism that has always stood in strange communion with
his brave words about objective science — all contributed to the rise of Nazism".
(S.J. Gould, Ontogeny and PHylogeny, Harvard Univ. Press, p. 77-78).
Het zijn allereerst deze maatschappelijke en politieke consequenties die Kuyper
de evolutieleer doen afwijzen: „En de antithese tussen de Christelijke religie en de
Evolutie-leer ligt volstrekt niet alleen in de beweerde opkomst van de mens uit de
chimpansee, maar veel principiëler in de beide heel het leven beheersende vragen:
Vooreerst of de sterkere zich over het zwakkere te ontfermen heeft, of wel het
zwakkere, niet maar mag maar moet verpletteren. En voorts in die andere vraag
naar soort oïindividu, die in de korte tegenstelling van de Selectie der Evolutie met
de Electie der Schrift haar scherpste uitdrukking vindt. Selectie doelt op soortbe-
houd. Electie is verkiezing van personen"." Dit leidt tot de conclusie „Christelijke
religie en Evolutie-leer zijn twee over en weer elkaar uitsluitende systemata"."
Het is duidelijk dat Kuyper m.n. strijd voert tegen een bepaalde vorm van evolu-
tie-leer die aan het einde van de vorige eeuw domineerde. Deze was verbonden
met het zgn. monisme, de opvatting dat de werkelijkheid slechts uit „kracht" en
„stof bestond. „Haeckel heeft niet geaarzeld het onverbloemd uit te spreken: ,Die
Weltgeschichte muss ein physikalisches chemisches Process sein' ".'" „Van een
ziel, als een eigen iets, kan dus geen sprake zijn. Er is niets dan het menselijk
,Lebewesen', dat zich naar twee zijden, physiologisch en psychologisch ontwikkelt,
en dat bij die ontwikkeling geen andere veranderingen kan ondergaan, dan ten-
gevolge van de uit plant en dier en mens overgeërfde neigingen, van de associatie
met andere gelijksoortige wezens, en van'de weerstand der stoffelijke natuur.
Noch heersend princiep, noch organisch motief, noch een nagestreefd ideaal leidt
h i e r . . . Van zonde of schuld kan niet anders dan in zijn dolende voorstelling
sprake zijn, en de enige prikkel die hem spontaan en duurzaam drijft, is de lust.
Aanvankelijk komt dan de lust van de één met de lust van de ander in botsing.
Maar gaandeweg slijt voor die botsing de oorzaak uit. Immers, hoe meer de mens
geassocieerd gaat bestaan, hoe meer juist de lust van het egoïsme niet tot zijn recht
kan komen, zonder ook in de geassocieerde medewezens eigen vreugd te zoeken.
Dit altruïsme, of juister gezegd dit gezellig egoïsme, worstelt dan nog een tijdlang
263
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's