Gesprekken over honderd jaar Vrije Universiteit - pagina 180
de toekomstverwachtingen voor én het kind én de moeder
alsmede het gehele gezin, zó uitzichtloos lijken, dat afbre-
king van die zwangerschap overwogen en misschien uitge-
voerd moet worden.
Maar ik denk dat van die tweede categorie overwegingen
soms toch wat al te gemakkelijk gebruik wordt gemaakt,
en dat niet altijd voldoende pogingen worden aangewend
om na te gaan of voortzetting van de zwangerschap wel zo
uitzichtloos is als men onder de gegeven omstandigheden
denkt. Men bevindt zich met zwangerschapsafbreking
ongetwijfeld opeen hellend vlak, en de vraag rijst waarom?
Als je dat zou mogen doen, terwijl het kind nog in de eerste
levensmaanden verkeert, is het de vraag waarom je het dan
ook niet zou mogen doen als het kind eenmaal geboren is
en misschien niet aan alle wensvoorstellingen van de
ouders of althans de moeder beantwoordt. Ik geloof dus
dat we er uitermate terughoudend mee moeten zijn, en dat
we er ons van bewust moeten zijn dat als wij ertoe
adviseren wij een wissel op de toekomst trekken, die
uitermate onzeker is. Ik ben er dus zeker een tegenstander
van om te zeggen: de vrouw beslist zelf, en de medische
instanties hebben maar te doen.
Wat de euthanasie betreft, zitten we in een min of meer
vergelijkbare situatie. Wanneer het er om gaat met allerlei
hulpmiddelen nog enige dagen of weken aan een verschrik-
kelijk lijden toe te voegen, dan houd ik me aan een van de
uitspraken van de oorspronkelijke Hippocratische eed,
namelijk dat de arts zich moet onthouden van het uitoefe-
nen van de geneeskunst in gevallen waarin geen hoop meer
bestaat, ofschoon Hippocrates, althans degene die het
eedformulier opstelde, daarbij op het oog had om te
vermijden dat de geneeskunst in diskrediet werd gebracht,
want hij meende dat een behandeling die gedoemd was te
mislukken een blaam op de geneeskunst zou werpen.
In de tweede plaats heeft men dan speciaal in de kinderge-
neeskunde te maken met die pas geborenen, veelal te vroeg
geborenen, wier hart en longen wel met allerlei moderne
apparatuur op gang gehouden kunnen worden, maar die
bij het afschakelen van die apparatuur prompt sterven.
Wanneer wij ervan overtuigd zijn dat we met die toestand
te maken hebben, en als de ouders dan tevens daarom
verzoeken, komen we soms na uitgebreid overleg tot de
slotsom dat dit kunstmatige ,,leven" beter beëindigd kan
worden.
Er is een neiging geweest, misschien nog wel, vooral bij
176
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 332 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 332 Pagina's