Wetenschap en rekenschap - pagina 247
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
N A T U U R K U N D E EN S C H E I K U N D E
de mens zich volstrekt heeft te onderwerpen". Deze beginselen noemt hij „dog-
matisch" omdat zij aan het Christelijk denken voorafgaan, of wel omdat ze „a
priori" zijn en gelden voor alle faculteiten'^.
J. Woltjer'^ is in zijn redevoeringen van 1911: „De Natuurkundige Faculteit aan de
Vrije Universiteit" Qn van 1914: „Het wezen der Materie" {zie ook G.J. Sizoo') wat
uitvoeriger. Hij noemt eerst, dat ook de gangbare natuurwetenschappen uitgaan
van beginselen: b.v. de mechanische causaliteit of de teleologische beschouwing
der natuur. De geest van de mens zoekt echter ook een antwoord op de vraag: „wat
is de natuur en vanwaar is haar oorsprong?". Hierop geven slechts beginselen een
antwoord, die niet het resultaat zijn van wetenschappelijk onderzoek, maar veeleer
het postulaat daarvan. Hij karakteriseert zelf deze beginselen als meer toegespitst
op de natuurfilosofie. Tijdgebonden interpretaties van bijbelse gegevens blijken in
de beginselen aanwezig te zijn, zoals het spreken over het wezen der dingen en
over de immanente krachten en de eeuwige voorzienigheid Gods. (zie voor de
volledige tekst van de beginselen: Sizoo').
Woltjer spreekt afzonderlijk over het onderwijs van de „zuivere" natuurweten-
schappen „bij het licht van Gods Woord", maar gebruikt de term „christelijke
wetenschap" niet. De uitdrukking „bij het licht van Gods Woord" is echter
opvallend, omdat deze ook voorkomt in de grondslag van de in 1896 opgerichte
„Christelijke vereniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland". Ook in
déze vereniging heeft de formulering van de grondslag de jaren door, tot haar
opheffing omstreeks 1970, aanleiding gegeven tot eindeloze discussies over de
betekenis ervan voor de beoefening van de natuur- en geneeskunde.
In de jaren na de eerste wereldoorlog ontstond in de gereformeerde kerken een
crisissituatie over het gezag van de Bijbel. De letterlijke interpretatie van de tekst
van de bijbel kwam al meer in conflict met het natuurwetenschappelijke wereld-
beeld. Hoewel voor velen duidelijk was, dat de bijbel zelf geen samenhangend
wereldbeeld geeft en niet als handboek voor natuurwetenschappelijke uitspraken
gebruikt mag worden, werd toch het vertrouwde beeld, dat de bijbellezer tradi-
tioneel voor ogen staat, aangetast. De meest bekende voorbeelden hiervan zijn de
interpretatie van Genesis 1 tot 3 en de authenticiteit en historische betrouwbaar-
heid van de verhalen over de wonderen in het oude en nieuwe testament. De
situatie is, gezien vanuit het studentenleven, beschreven in het gedenkboek
1886-1961 van S.S.R. door G. Puchinger'"'. Hij karakteriseert deze crisis als „de
strijd omtrent de vraag naar wat veranderlijk en wat onveranderlijk, wat menselijk
en wat Goddelijk moet heten in de eenmaal aanvaarde levens- en wereldbe-
schouwing".
Als in 1930 de wis- en natuurkundige faculteit aan de V.U. gesticht wordt, is het
van groot belang, hoe de vier nieuwe hoogleraren op de bovengenoemde proble-
matiek van geloof en wetenschap of: van bijbelgezag en natuurwetenschappelijk
wereldbeeld zouden reageren. Hun eigen plaats en die van hun toekomstige
leerlingen, staan op het spel. Zullen zij als beoefenaars van de natuurweten-
schappen in de kring van de orthodoxe protestanten vertrouwd, aangehoord en
243
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's