Wetenschap en rekenschap - pagina 42
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
W J WIERINGA
bewaren van het calvinistische erfgoed. Na 1945 kon er meer gedaan worden op dit
terrein. De wereld werd geleidelijk groter en opener en kwam mede daardoor
dichterbij. Bovendien werd de universiteit zelf ook geleidelijk groter en daardoor
steeg mede het aantal docenten. Zo werd het mogelijk in 1950 te komen tot de
uitgave van een periodiek: „Free University Quarterly", die beoogde in het bui-
tenland meer bekendheid te geven aan de ideeënwereld van de Vrije Universiteit
op het gebied van wetenschapsbeoefening. Voorts stelden directeuren der Ver-
eniging reeds spoedig een aantal beurzen beschikbaar voor buitenlandse studen-
ten, terwijl daarnaast ook buitenlandse studenten op eigen kosten of met een
Fullbrightbeurs naar de Vrije Universiteit kwamen. Dit alles heeft er mede toe
bijgedragen, dat tussen 1950 en 1970 veel buitenlandse studenten met de univer-
siteit hebben kennis gemaakt en aldus hebben bijgedragen tot vergroting van
haar bekendheid buiten de grenzen.
Ter bevordering van de buitenlandse contacten werd bovendien in 1956 een
Commissie Buitenland ingesteld, die een broedplaats werd van plannen voor het
buitenlandse beleid der universiteit. Het beleid met betrekking tot het buitenland
wordt sinds 1972 bepaald door de Universiteitsraad, die thans wordt geadviseerd
door een in 1978 nieuw ingestelde commissie.
Inmiddels kwam in wereldverband de problematiek van de ontwikkelingslanden
steeds meer in de belangstelling te staan. Daarop haakte de Vrije Universiteit in
door in 1961 een senaatscommissie in te stellen voor de ontwikkelingsgebieden.
Deze suggereerde, dat de universiteit vooral zich moest inzetten tot dienstverle-
ning aan en samenwerking zoeken met christelijke instellingen van wetenschap-
pelijk onderwijs in deze gebieden en dit te realiseren mede met behulp van
zendingsinstanties.
Ook de commissie Meynen bezon zich op de taak der universiteit met betrekking
tot de ontwikkelingslanden. Zij vroeg zich daarbij af, hoe de Vrije Universiteit zich
ten dienste kon stellen aan academici, die in ontwikkelingslanden werkzaam
wilden zijn en hoe de universiteit zelf in deze gebieden kon meewerken aan
wetenschappelijk-culturele ontwikkeling in christelijke zin. Daarom zou een apart
centrum goede diensten kunnen verrichten. Het is daartoe al spoedig gekomen: als
eerste universiteit kreeg de Vrije Universiteit een apart bureau buitenland.
Naderhand zou de Universiteitsraad ook grote aandacht schenken aan hulpver-
lening in het buitenland. In 1975 besloot deze, dat de Vrije Universiteit in dit
verband voorshands haar buitenlandse activiteiten in de eerste plaats zou richten
op de ontwikkelingslanden. Tegelijk werd ook tot een andere opzet besloten.
Terwijl voorheen geregeld hulp werd verleend aan instellingen en organisaties in
een groot aantal landen, zoals Indonesië, Pakistan, Zaïre, Zuid-Afrika, Botswana,
Lesotha, Ghana, Suriname en Vietnam, zou voortaan het beleid geconcentreerd
worden op een beperkt aantal instellingen, waarmee kon worden samengewerkt in
projecten, die een onderdeel vormden van een gezamelijk beleidsprogramma, dat
gericht was op het belang van het ontwikkelingsland.
Voor de uitvoering van al deze activiteiten stelde de Vrije Universiteit formatie-
38
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's