Wetenschap en rekenschap - pagina 486
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
G. KUIPER HZN
beeld geeft, laat staan een eenduidig maatschappijbeeld. De brieven aan File-
mon en aan de Colossenzen tonen iets heel anders dan Deutero-Jesaja. de
Psalmen wat anders dan de Prediker en geen daarvan staat „toevallig" in de
canon. Ik heb geprobeerd het ene en het andere beeld met elkaar te rijmen in
mijn „Rangen en Standen", wat mij niet door alle medechristenen die het lazen,
in dank is afgenomen. Het is overigens stukwerk. We hebben onze gebreken:
wie — zeker in de subfaculteit sociologie — voorstelt de impact van Marx op de
sociologie te bestuderen vindt de hartelijke instemming van de studenten, maar
de betekenis van de Bijbel voor deze wetenschap trekt niet en de sociologen die
daartoe een aanzet hebben gegeven — Parsons, Schelsky b.v. — mogen zich niet
(meer) in een hoog aanzien verheugen; bovendien vraagt een dergelijk onder-
nemen eigenlijk ook theologische kennis. Er is veel religiositeit aan de V.U.,
maar weinig neiging Tenach en de Messiaanse Geschriften in dit verband te
bestuderen. We moeten de hand in eigen boezem steken en ons niet alleen
beroepen op de lekke band en de open brug. „De afzonderlijke socioloog", zegt
Thurlings, „zal zich nooit geheel aan zijn individuele beperktheid van voor-
stellingsvermogen kunnen ontworstelen." Hij ziet een bepaalde levensbe-
schouwelijke uitgangsstelling als de waarheid. Dat is zijn goed recht, maar, zou
ik zeggen, dat is hij dan ook aan zijn geweten verplicht. Anderzijds moet hij
erkennen dat, methodologisch gzien, hier ook zijn grenzen liggen." Er is niet zo
iets als een sociologische levensbeschouwing, maar deze wordt veeleer bepaald
door de Sitz im Leben van haar beoefenaren en die is verschillend. Ook een
Bijbelse levensbeschouwing houdt — ik schreef het al — nog grote diversiteit in.
NOTEN
1. J. Baxa, Gesellschaftslehre von Platon bis Friedrich Nietzsche; Leipzig, Quelle und
Meyer, 1927.
2. B.C. van Houten, Saint Simon en Comte; in: L. Rademaker en E. Petersen, Hoofdfi-
guren uit de sociologie. Deel I; Utrecht, Het Spectrum, 1974, pp. 29-41.
J.P. Verhoogt, Saint Simon en Comte; in; H.P.M. Goddijn e.a.. Geschiedenis van de
sociologie. Achtergronden, hoofdpersonen en richtingen; Meppel, Boom, 1977,4e dr.,
pp.75-81.
3. H.P.M. Goddijn, H. Spencer (1820-1903); in: L. Rademaker(red.), Sociologische en-
cyclopedie, Utrecht, Het Spectrum, 1976, Deel 3, pp.682-686.
4. H.P.M. Goddijn, Emile Durkheim en de Franse sociologie; in: Geschiedenis van de
sociologie o.c, pp.143-166.
5. P. Thoenes, Karl Mannheim; in: H.P.M. Goddijn e.a. o.c, pp.273-281; vooral p.280.
6. A.C. Zijderveld. George Herbert Mead; in: Hoofdfiguren o.c, pp.156-174.
P.E.J. Buiks, G.H. Mead (1863-1931); in: Rademaker(red.), Sociologische encyclo-
pedie. Deel 2, pp.414-416.
480
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's