Wetenschap en rekenschap - pagina 343
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
A L G E M E N E TAALWETENSCHAP AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
schreven (1892), maar zoals gezegd ging zijn voornaamste belangstelling uit naar
de algemene problemen, zowel op het gebied van de filologie (zie boven) en van de
algemene literatuurwetenschap'" als op dat van de taalkunde. In zijn rede Het
woord, zijn oorsprong en zijne uitlegging — ter gelegenheid van de overdracht van
zijn zoveelste rectoraat in 1908 gehouden" — toont hij (o.a. in de 48 Aanteekenin-
gen achterin) goed op de hoogte te zijn van de belangrijke linguïstische werken,
ook van de toen modernste (Wundt, K. Brugmann, Kluge, van Ginneken, Seche-
haye).
Iets meer nu over deze rede zelf, die typerend is voor het taalwetenschappelijk
onderwijs aan de Vrije Universiteit en elders in die periode. Terecht legt Woltjer
de nadruk op het feit dat het object van de taalwetenschap in de eerste plaats is de
gesproken taal; dat geschreven taal daarvan slechts een zwakke en gebrekkige
afschaduwing is. Toch is zijn uiteenzetting voor de hedendaagse lezer verwarrend
doordat hij, bij deze terechte nadruk op taal-zoals-die-gesproken-wordt, andere
fundamentele verschillen over 't hoofd ziet, zoals die tussen a) taal-d\s-systeem
(„langue"), b) het „einmalig" in de werkelijkheid gesprokene („parole") en c) het
spreken zelf, taidgebruik (,,acte de parole"). Zijn openingszin doet anders ver-
wachten, daar treffen op de eerste regel onmiddellijk de cursief gedrukte termen
„spraak en taal" (p. 1), maar uit het vervolg is duidelijk dat deze termen in 1908
nog niet de omlijnde inhoud hadden die ze in de huidige linguïstiek hebben. Ook
taalgebruik en taalbeschouwing worden niet zorgvuldig onderscheiden. Bij het
lezen van dit stuk van Woltjer moet men hiermee wel rekening houden.
Hetzelde geldt t.a.v. de term woord. In deze rede gaat het nl. niet over „het enkele
woord als eenheid in de taal" zoals men tegenwoordig uit de titel zou opmaken,
maar over het woord als „de rede zelf, als uitdrukking der gedachte" (p. 5). Vanuit
deze (niet consequent volgehouden) terminologie keert Woltjer zich tegen de
opvatting dat woorden als rededelen de eenheden in de taal zouden zijn, „eene
meening, die nog versterkt werd door de theorie, dat de taal door afspraak .. .
ontstaan was" (p. 7).'^ Het woord is integendeel „niet de naam, het is de tot uiting
gekomen gedachte..." (p. 9). Zo zijn dan ook het Latijnse „amavi" en het Ne-
derlandse „ik heb liefgehad" allebei één woord, want het zijn „slechts onder-
scheidene vormen voor éénen zin, ééne gedachte" (p. 11). Woltjer ziet wel de
bezwaren dat hier het probleem opgeschoven wordt, want „wat is een zin of eene
gedachte?", maar deze bezwaren acht hij „veel minder talrijk en van minder
gewicht, dan die tegen de opvatting van het enkele woord als eenheid in de taal"
(p. 12). Dat dit zo is blijkt zijns inziens afdoende uit de oorsprong van het woord.
Hiermee bedoelt schrijver „het ontstaan van de rede, het woord, in de ziel van hem
die spreekt; den psychischen oorsprong dus, zoals door de innerlijke ervaring een
ieder dien kan nagaan" (p. 13). Zo belandt hij dan op het gebied dat tegenwoordig
„psycholinguïstiek" heet. Ongeschoold in de psychologie, met enkel de intro-
spectie als onderzoekmethode, betreedt hij dit gebied onvervaard, en wat er uit
voortkomt lijkt toch alleszins aanvaardbaar, nl. de conclusie
337
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's