Wetenschap en rekenschap - pagina 292
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J L E V E R / L VLIJM
redenen, afgesloten zijn, terwijl andere activiteiten overgenomen zijn door andere
groeperingen of instituten binnen of buiten de universiteit. Het is echter, onzes
inziens, terecht enkele van deze „andere" onderzoekingen mede te beschrijven.
3.4.1. Het veldwerk
Reeds werd er op gewezen dat het onderzoek binnen de subfaculteit aanvankelijk
vooral experimenteel-biologisch gericht was. Reeds zeer snel werd echter door de
toenmalige docenten op diverse wijzen veldwerk geïntroduceerd. Dit geschiedde
gedeeltelijk door, met alle stafleden en studenten, „voorjaarsexcursies" te organi-
seren, waarin docenten en studenten naar eigen belangstelling zich in de ter plekke
voorkomende plant- en diersoorten, of groepen daarvan, verdiepten, terwijl ook,
vanaf 1953, gedurende de zomervakantie „werkkampen" werden georganiseerd,
waarin probleemstellingen in het veld gezamenlijk werden bestudeerd. Uiteraard
lag het in de rede dat, toen eenmaal systematisch-oecologisch onderzoek tot stand
kwam, vanuit deze groepen een grote inbreng in het veldwerk werd gegeven.
Zo werden, b.v., op het gebied van de plantenoecologie, de onderzoekingen aan
het wilgenroosje (Chamaenerion angustifolium) (Van Andel), aan Plantago major
(Groot), en die over de dispersie van pollen en over de populatiebiologie van
russen (Rozema), in werkkampen geïnstigeerd of ondersteund.
Op het gebied van de systematiek en zoögeografie werden veel vogels met behulp
van netten gevangen en geringd (samenwerking met het Instituut voor Oecolo-
gisch Onderzoek), waarbij in latere jaren bijzondere aandacht aan waadvogels
werd geschonken (Boere).
Ook op dieroecologisch gebied werd, via werkkampen, en met medewerking van
studenten veel en waardevol materiaal verzameld, b.v. van de loopkever Calathus
melanocephalus (Van Dijk), van spinnen van het genus Pardosa (Kessler) en van
collembolen (Joosse-van Damme).
Aparte aandacht verdient hier het onderzoek aan het aanspoelmechanisme van
schelpkleppen. Dit was in eerste instantie gericht op het bepalen van de sterfte van
enkele soorten schelpdieren (Donax vittatus en Macoma balthica) onder invloed
van predatie door A^a/Zca-soorten (slakken). Spoedig bleek dat op het strand
genomen monsters van „aangeboorde" en „gave" schelpkleppen een beeld geven
dat in belangrijke mate bepaald wordt door de wijze waarop de diverse kleppen
aanspoelen. Niet slechts rechter- en linker-schelpkleppen spoelen verschillend
aan, doch de aanwezigheid van een boorgat geeft nadere compücaties bij het
aanspoelen. Dit onderzoek, dat ook voor de evaluering van paleontologisch
schelpmateriaal van belang bleek (de richting van zeestromingen kan uit dit
aangespoelde materiaal worden geconcludeerd), verwierf de Koninklijke/Shell-
prijs, waardoor het onderzoek, o.m. door gebruikmaking van plastic schelpen met
natuurlijk soortelijk gewicht, al dan niet van „boorgaten" voorzien, verdiept kon
worden (zie o.a. Thijssen).
288
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's