Wetenschap en rekenschap - pagina 56
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J VEENHOF
eine ungenügende Behandlung des Alten Testamentes." Van Dijk ziet deze be-
tuiging in dezelfde lijn liggen als Kuyper's protest tegen de hypertrophie der
kritisch-letterkundige studiën en hij acht dit protest volkomen terecht. Maar hij
voegt eraan toe: al wat Kuyper verder in de rede zegt „heft helaas weer de
mogelijkheid op van een zuiver en onbevangen verstaan van den tekst, van een
ernstige, niet-docetische behandeling van historische problemen."^' Deze uit-
spraak van Van Dijk geeft te denken, juist omdat hij voor de gereformeerden altijd
respect koesterde.
Het komt mij voor, dat Kuyper wèl de zwakke plekken in de ethische visie op de
openbaring scherp onderkende, maar hun Schriftbeschouwing teveel met
machtsspreuken heeft afgedaan. De vragen, waarvoor de ethischen — en niet
alleen zij — door hun Bijbelstudie kwamen te staan, kenschetste hij in wezen als
illegitiem en zodoende bleef hij in gebreke er een bevredigend antwoord op te
geven of althans — want de taak van de dogmaticus is een andere dan die van de
exegeet — een richting aan te wijzen, waarin de vakexegeten naar zo'n antwoord
kunnen zoeken. Ondanks de door hem bepleite organische conceptie viel hij soms
toch weer terug in de Schnftleer van de nareformatorische orthodoxie. Trouwens,
in het algemeen kan men zeggen, dat Kuyper te weinig de betekenis van de
ethische theologie in het blootleggen van de zwakheden der orthodoxie hono-
reerde."
Van Kuyper zelf is bekend, dat exegese niet zijn sterkste kant was.^^ Maar door de
inzet van deze rede bevorderde hij tevens, dat aan „zijn" faculteit aan de exegese
slechts een secundaire plaats en een beperkte speelruimte werd gegund. In elk
geval is het een feit, dat de exegese aan de faculteit niet de aandacht kreeg, die zij
verdient. Jarenlang zouden de exegetische vakken worden onderricht door do-
centen, die op dit terrein geen specialisten waren. En het zou duren tot 1903,
alvorens de eerste dissertatie over een exegetisch onderwerp aan de faculteit
verdedigd werd.^'' Het komt mij voor, dat Kuyper's onderwaardering van de
exegese samenhangt met de omstandigheid, dat Kuyper, zoals ik reeds opmerkte,
in zijn streven naar vernieuwing van de theologie teruggreep op de theologie van
de nareformatorische orthodoxie en niet op die van de oorspronkelijke reforma-
torische theologie van de 16e eeuw. Zoals bekend was het centrum van de theo-
logie der Reformatie de bestudering van de Bijbel als het levende, aansprekende
Woord van God, dat als Woord van de Geest heil en genade bemiddelt. Het
theologisch onderricht van Luther en Calvijn cirkelde geheel om de uitleg van dit
Woord. Zij hebben in feite nooit een college dogmatiek gegeven! Anders werd het
in het tijdvak der orthodoxie. In haar ging de systematische bezinning op de
doctrina terrein winnen op en steeds meer domineren over de exegese. Kuyper
sloot zich hierbij aan.^' Ook bij hem ging de doctrina en haar ontvouwing voorop
en functioneerde de Bijbel in sterke mate als het boek, waarin deze doctrina
besloten lag.^* Dit is m.i. de theologische reden, waarom Kuyper aan de exegese
een secundaire plaats toekende. Hoe consequent hij daarin — althans in die tijd —
was, blijkt'wanneer hij enkele maanden na het houden van de besproken rede in
52
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's