Wetenschap en rekenschap - pagina 62
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J. V E E N H O F
Van geheel andere aard dan het werk van Rutgers was de bijdrage die Hoedema-
ker aan de beoefening van de theologie aan de faculteit leverde. In de jaren,
gedurende welke hij aan de V.U. verbonden was, heeft hij publicaties van ver-
schillend karakter het licht doen zien. Naast enkele academische oraties versche-
nen van zijn hand verschillende studies over bijbelse onderwerpen en geschriften
over de kerkelijke kwestie." Typerend voor Hoedemaker is de in appellerende
toon gestyleerde rectorale rede over de herleving van de gereformeerde begmselen
in hun betekenis voor de verschillende onderdelen van de praktische theologie."
Wat Hoedemaker met veel élan bepleit is de hernieuwde erkenning en honorering
in alle sectoren van de praktische theologie — het kerkrecht, de liturgiek, de
catechese, het diakonaat en de zending — van het centrale geloofsuitgangspunt,
dat Christus, Hoofd en Heer der gemeente, door Woord en sacrament de ge-
meenschap met haar onderhoudt en dat deze gemeente het lichaam van Christus
is. Daarbij kritiseert hij het individualisme dat bv. op de catechisatie de Heidel-
bergse Catechismus verving door een ,,heirleger vraagboekjes", het diakonaat liet
overvleugelen door private liefdadigheid en ten behoeve van de zendingsarbeid
verenigingen en maatschappijen oprichtte maar de kerk zelf terugdrong. Opmer-
kelijk is, dat Hoedemaker een lans breekt voor het internationaal karakter, dat het
diaconaat met de kerk gemeen heeft; „oudtijds gebleken ten opzichte van de
vluchtelingen om de religie, van buitenlandse predikanten, van Bohemen, Polen,
België, de Waldenzen, van de verdrukte Christelijke bevolking in Syrië."
Vermeldenswaard is voorts de rede, die Hoedemaker hield bij de opening van de
lessen in 1886 en die een polemiek bevatte met Doedes. Tegenover Doedes hield
hij staande, dat de exegese niet zonder meer vrij is, maar beoefend dient te worden
in gebondenheid — zij het een gebondenheid van voorwaardelijke aard — aan de
belijdenis. ,,Ik wil niet verzwijgen, dat ik. . wensch te rekenen met het resultaat,
waartoe de Kerke Gods, in den loop der geschiedenis, onder de leiding des Geestes
is gekomen... Ik belijd. .. gebonden te zijn, d.i. mijzelven te binden aan de
formulieren omdat, en daarom alleen, voor zoover zij met Gods Woord overeen-
komen. Wanneer ik mij nederzet tot den exegetischen arbeid. .. doe ik dit in
aansluiting aan den arbeid der eeuwen, waarvan het zuivere resultaat in den vorm
van mijne belijdenis is nedergelegd".^*
Ik dien er nog op te wijzen, dat de stof, die Hoedemaker op zijn colleges behan-
delde, soms verwerkt werd in publicaties van latere datum. Daartoe behoort o.a.
zijn bekende werk ,,De mozaïsche oorsprong van de wetten in de boeken Exodus,
Leviticus en Humeri. Lezingen over de moderne Schrift-critiek des Ouden Testa-
ments."^' In dit boek hebben de colleges, die hij in het kader van de Inleiding in het
Oude Testament gaf over de reconstructie van Israels geschiedenis door Well-
hausen c.s., hun neerslag gevonden. Hetzelfde geldt ook van andere later ver-
schenen bijbels-theologische studies.
Het verschil met Kuyper en Rutgers ten aanzien de van kerk bleef voortdurend
een rol spelen. Uit de zojuist gereleveerde rede over de practische theologie blijkt,
dat Hoedemaker in het tekenen van de driehoeksrelatie van Christus-Woord-Kerk
58
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's