Wetenschap en rekenschap - pagina 70
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J VEENHOF
zich in de belichting van allerlei feiten en verschijnselen liet leiden.
Wij raken hier aan het thema, dat Bavinck van het begin tot aan het einde van zijn
loopbaan heftig heeft geïntrigeerd: de relatie van algemene en bijzondere open-
baring, van schepping en herschepping, van natuur en genade. Tegenover allerlei
concepties, die op de een of andere wijze een dualisme tussen beide poneren,
handhaafde Bavinck in talloze verbanden en variaties, dat de genade de natuur
niet verdringt of onderdrukt maar herstelt en geneest.
In deze positiebepaling stemt Bavinck overeen met een grondmotief van Kuyper;
men bedenke slechts, welk een grote rol de tweeheid van gemene gratie en parti-
culiere genade in diens denken speelt! Intussen: de concretisering van dit adagium
met het oog op specifieke vragen van leer en leven bleek geen gemakkelijke taak.
Hoe verhoudt zich de genade Gods in Christus tot de geschapen werkelijkheid? —
om die vraag è/ee/Bavinck's denken cirkelen ook in zijn amsterdamse publicaties.'
In de confrontatie met stromingen die — hoe dan ook — in naam van het „bijzon-
dere" het „algemene" verwaarloosden benadrukte hij de onopgeefbare betekenis
van de „natuur" als het terrein, waarop de genade haar werkingskracht ontplooit
en dat door haar wordt gezuiverd. In het gesprek met richtingen, die — hoe dan
ook — ten gunste van het algemene het bijzondere in de schaduw stelden of uit het
algemene tot het bijzondere wilden opklimmen, accentueerde hij het nieuwe en
onherleidbare van de genade. Of en zo ja, hoe continuïteit en discontinuïteit tussen
algemeen en bijzonder, tussen het voorgegevene en het nieuwe in één ,leermoder
verzoend kunnen worden, bleef bij hem onopgelost.*
De algemene vraag naar de verhouding van het algemene en het bijzondere kreeg
voor hem een scherpe toespitsing in het Schriftprobleem. De organische opvatting
van de inspiratie, die Kuyper en hij bepleitten, bedoelde ruimte te geven aan de
menselijke, culturele, historische bemiddeling van de in de Schrift geschonken
openbaring, zonder aan het goddelijke, unieke en eeuwige karakter ervan te kort te
doen. In de laatste periode van zijn leven gaf hij te kennen, dat vóór alle dingen het
Schriftprobleem op oplossing wachtte en daarmee bedoelde hij juist déze relatie:
in hoeverre onderging die inspiratie de inwerking van de omstandigheden,
waaronder zij plaats had en in hoeverre had zij een meer universele strekking.'
Hoezeer Bavinck in het nadenken over deze vraag ook zijn twijfels mocht kennen,
die twijfel betrof nlèt de strekking van het evangelie als blijde boodschap. Het
evangelie is naar Bavinck's'overtuiging de boodschap van heil, voor de individuele
mens maar evenzeer voor het volle, brede leven naar al zijn aspecten. Het is deze
universaliteit van het heil, die Bavinck typeerde als de katholiciteit van het Chri-
stendom. En deze katholiciteit van het Christendom is bij hem intrinsiek verbon-
den met de katholiciteit der kerk. Reeds in Kampen had hij tegenover piëtistische
wereldmijding en confessionalistisch sectarisme deze dubbele katholiciteit krach-
tig geaccentueerd. Gedurende zijn laatste levensjaren legde hij tijdens zijn colleges
daarop opnieuw de volle nadruk. Hij verzuimde niet erop te wijzen dat bij alle
eigenheid van de gereformeerde kerken deze toch niet een secte vormden, maar in
de traditie stonden van de Katholieke Kerk.'
66
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's