Wetenschap en rekenschap - pagina 499
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE PSYCHOLOGIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
gebruikte, of zijn medewerkers niet aanspoorde om deze te ontwikkelen en aan
wetenschappelijke normen te laten voldoen, maar wel dat hij de resultaten
daarvan niet als gegevens met een eigen psychologische waarde beschouwde.
Wijngaarden typeerde zijn werkwijze waarschijnlijk het best in zijn opmerking dat
„ik van hem geleerd heb niet met het onderzoek van een jong kind te beginnen
alvorens samen echt gelachen te hebben" (1961, p. 33). Zelf formuleerde hij zijn
benaderingswijze aldus: „Wanneer ik een mens onderzoek en ik zou tenslotte dan
het resultaat in wiskundige formules vastleggen, dan heb ik het niet meer over de
mens, maar dan heb ik het over de gegevens die ik op mijn papiertje heb staan"
(1950, p. 53).
Had nu deze sterk intuïtief-begrijpende benadering enerzijds tot gevolg dat hij een
scherp oog had voor de vele facetten van het menselijk gedrag, waardoor hij zijn
leerlingen aanspoorde tot een verder verkennen van dit terrein, aan de andere kant
had het ook tot gevolg dat hij, zoals Wielenga opmerkte, „wel eens (naar onze
criteria gemeten) ,gemakkelijk' was met uitdrukkingen als ,in ons laboratorium is
vastgesteld' e.d. Dergelijke uitdrukkingen bleken naderhand wel eens moeilijk te
verifiëren — de noodzaak van verificatie, van toetsing van op exploratief onder-
zoek gebaseerde hypothesen voelde hij niet zo sterk — het waren geen hypothesen
voor hem" (1966, p. 4). Maar, zoals gezegd, dit was gemeten naar de criteria van de
jaren zestig, waarin veel sterker dan voorheen de vraag gesteld werd met welk
wetenschappelijk recht de psycholoog zijn uitspraken deed.
2. UITBOUW EN BEZINNING: DE JAREN ZESTIG
Voordat wij echter ingaan op de ontwikkelingen in de psychologie na Waterink,
willen wij eerst een kort overzicht geven van de algemene tendenzen die zich in de
Nederlandse psychologie van de jaren zestig manifesteerden.
Op het eerste gezicht lijken deze in het verlengde te liggen van de lijnen die en al
waren, zij het dan dat het tempo waarmee de psychologie groeide sterk toenam.
Was het tot de jaren vijftig nog zo, dat dit onderzoeksgebied redelijkerwijs door
één docent te overzien was, daarna gingen ook door de toenemende maatschappelij-
ke behoefte aan psychologische adviezen de ontwikkelingen zo snel dat een derge-
lijk algeheel overzicht onmogelijk werd en voor de onderscheiden vakgebieden af-
zonderlijke docenten aangetrokken moesten worden. Ook aan de V.U. was dit het
geval, wat resulteerde in een verdeling van de psychologie in een vijftal hoofdge-
bieden: de functieleer en algemene methodenleer (Fokkema), de persoonlijk-
heidsleer en conflictuologie (Wijngaarden); een gebied dat naderhand uitgebreid
werd met de klinische psychologie (Cassee), de ontwikkelingspsychologie en pe-
dologie (De Wit), de psychodiagnostiek en bedrijfspsychologie (Drenth) en de
493
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's