Wetenschap en rekenschap - pagina 147
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE J U R I D I S C H E FACULTEIT (1880-1980)
haar diep ontsteld en in 1940 en volgende jaren was het de verontwaardiging over
rechtsschennis, het hoogtepunt vindend in de jodenvervolging, die haar bij de
leiding van de ondergrondse pers betrok. Zij was één der weinigen die niet een
ariër-verklaring wilde tekenen, ook toen het nog onschuldig leek. Ze deed heel veel
voor joodse kinderen en adviseerde wel anderen, die in gewetensnood waren
geraakt, dit vanuit een innerlijk moeizaam bevochten overtuiging om, waar het
even ging het leven van de tegenstander te eerbiedigen èn uit respect voor het recht
èn uit gelovige menselijkheid. Na de bevrijding wenkte internationale arbeid — zo
werd zij in 1953 de eerste vrouw in het permanente Hof van Arbitrage — en meer
nog de wetenschap. Het in 1958 in een ordinariaat omgezette buitengewone
hoogleraarschap werd in wezen steeds als volledige betrekking uitgeoefend en
eindigde in 1962 met een afscheidscollege Norm en praktijk in de internationale
samenleving. Met de haar bij deze gelegenheid aangeboden bundel Volkenrechte-
lijke opstellen gevoelde zij zich ten zeerste gecoiffeerd.
Veruit de meesten die haar kenden hebben veel van haar gehouden. Maakte zij
wel bij een eerste ontmoeting een wat opdringerige en zelfs geëxalteerde indruk,
het gaf reeds te denken dat zij over haar activiteiten van 1940 tot 1945 nagenoeg
zweeg ondanks toen betoonde moed en opofferingsgezindheid. Na de oorlog heeft
zij zich het lot der Ambonezen aangetrokken en zette de Afrikaanse rassendiscri-
minatie haar in vuur en vlam. Ze werd als 73-jarige voorzitter van het Defense and
Aid Fund. Tot in haar laatste levensjaren heeft zij — op een reis in 1961 door het
Nabije en Verre Oosten, mede ter wille van haar studie ondernomen met de nood
elders geconfronteerd — veel hulp geboden door middel van de samen met haar
vriendin M. Nolte opgerichte stichting Adiutorium. Het volkenrecht zoals zij dit
zag werd door haar letterlijk voorgeleefd.
De idee van een volkenrecht dat uitsluitend van staten uitgaat en zich ook enkel tot
staten richt, heeft nooit haar liefde gehad. Uit haar voornaamste werk, de studie
over Alberico Gentili, blijkt, dat zij deze protestantse rechtsgeleerde, voorloper
van Hugo de Groot, waardeerde om zijn bekwame uiteenzettingen over het am-
bassadeurschap, het in hem prees dat hij kettervervolging en geloofsoorlogen
afkeurde en hem nog meer apprecieerde vanwege zijn het starre individualisme
doorbrekende leer inzake de plicht tot interventie daar aldus werkelijk de ge-
meenschap der volkeren of staten — bij hem nog meestal de menselijke gemeen-
schap — tot haar recht kwam.
Zij was juriste genoeg om een scherper bepaling van rechten en plichten der
afzonderlijke staten dan Gentili bood noodzakelijk te achten, maar zij wist dat de
weg naar een algemeen internationaal ethos lang en moeilijk was. Daarom kon zij
ook de organisatie der Verenigde Naties ondanks ernstige tekortkomingen waar-
deren, de terugkeer of bestendiging van oude machtspolitiek betreurend en kritiek
ook tegenover Amerikanen, die meenden dat wat het beste voor de Verenigde
Staten was tevens het beste voor de wereld moest zijn, oefenend. Als zij dacht dat
rechtstheorie of rechtspraktijk verbeterd kon worden — zij beschouwde deze beide
steeds als een eenheid — was zij de eerste om daartoe mee te werken. Zelf
143
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's