Wetenschap en rekenschap - pagina 64
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J. VEENHOF
Met ingang van 1 januari 1888 nam hij ontslag als hoogleraar. In aansluiting
hierop zij tevens nog vermeld dat Dilloo reeds eerder de V.U. vaarwel gezegd had.
Dilloo was overtuigd gereformeerd en geestverwant van Kohlbrugge maar binnen
de kring van de V.U. kon hij toch kennelijk niet aarden. In 1885 keerde hij naar
zijn vroegere gemeente in Soldin terug.
Het vertrek van Dilloo en Hoedemaker betekende een pijnlijke aderlating van de
toch al niet talrijke bemanning van de faculteit.
Een hernieuwde poging in 1889 Bavinck aan de V.U. te verbinden — reeds in 1880
had men hem willen benoemen — werd niet met succes bekroond. Gelukkig
namen in het jaar daarop twee jongere geestverwanten van Kuyper en voorman-
nen van de Doleantie de op hen uitgebrachte benoeming aan. Het waren Mr. Dr.
W. van den Bergh, predikant te Voorthuizen en Dr. G.H.J.W.J. Geesink, predi-
kant te Rotterdam.
Van den Bergh, een der curatoren van de V.U., maakte de hem gegeven betiteling
„het geweten der Doleantie" ook ten aanzien van de universiteit waar, inzoverre
hij de stem der zelfkritiek vertolkte. In een preek, gehouden op I juli 1884, daags
voor de jaarvergadering van de Vereeniging, wees hij op ,,vruchten" in de jonge
V.U. geschonken, maar waarschuwde hij tevens tegen een viertal zonden, die haar
bedreigden: de resultatenleer (kernachtige uitdrukking voor het prat gaan op
eigen prestaties), het lage peil der godzaligheid, het veldwinnende farizeisme en
het steunen op het schepsel." Van den Bergh liet zich niet aanstonds voor een
benoeming vinden. Van zijn kant stelde hij als voorwaarde, dat de faculteit een
relatie met de kerken zou zoeken. Eerst nadat directeuren hadden toegezegd, dat
zij daartoe stappen zouden ondernemen, stemde hij toe. Maar voor hij zijn ambt
aanvaardde, bezweek hij nog in datzelfde jaar 1890 te Montreux aan tuberculose.^''
Door de dood van Van den Bergh bleef de zo noodzakelijke aanvulling van het
docentencorps beperkt tot de persoon van Geesink.
Geesink (1854-1929) was een leerling van de amsterdamse kerkhistoricus W.
MoU.*' In wezensaard en optreden deed hij aan zijn leermeester deken. ,,Ook hij
was geneigd tot breede waardering. Ook bij hem een behoefte om het aesthetische
te laten domineeren en niet het minst de drang om de cultuur van zijn tijd zich toe
te eigenen."'^ Aanvankelijk behorend tot de ethische richting — met Gunning
stond hij op goede voet — kwam hij door Kuyper's invloed tot een uitgesproken
gereformeerde overtuiging. In de kerkelijke strijd koos hij de zijde van Kuyper. De
brede zwier van deze gentleman sloot een belijnde visie en een gedecideerd
optreden niet uit.
Toen hij aan de V.U. kwam, werd een fors pakket van taken op zijn schouders
gelegd. In de litteraire faculteit kreeg hij een leeropdracht voor logica, kenleer,
geschiedenis der filosofie en psychologie. In de theologische faculteit werd hem
opgedragen het onderwijs in de ethiek en de elenctiek.
Geesink was in zijn wetenschappelijke arbeid een stugge vorser, die er zich op
toelegde de meningen van anderen zorgvuldig na te pluizen en in zijn colleges te
60
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's