Wetenschap en rekenschap - pagina 356
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
B.SIERTSEMA
nodig omdat zij de publikaties moeten kunnen lezen die er de laatste twintig jaar
volgens deze beschrijvingsmethode zijn geschreven. Dat zijn er vele, want de
filosofie achter de TG past in het beeld van onze tijd. Overal is er immers een
streven naar precisie en duidelijkheid (exactheid), en volledigheid (expliciteit),
naar een ontbreken van innerlijke tegenspraak (consistentie) en anderzijds naar
eenvoud en bondigheid en zo groot mogelijke generalisering, in wetenschappelijke
beweringen, te bereiken door ze zo mogelijk in formules weer te geven (formali-
satie). Wat de taalwetenschap betreft leek de theorie van de jonge Noam Chomsky
van het Massachusetts Institute of Technology (de naam zegt al veel) geheel aan
dit algemene streven te voldoen. Hij meende aanvankelijk, de zinsstructuren van
een taal geheel in formules te kunnen beschrijven als lege structuren, dus zonder
de betekenis der woorden erbij te betrekken, en deze simplificerende en abstracte
opvatting van taalstructuren en taalregels en hun beschrijving wekte onmiddellijk
groot enthousiasme onder jongere linguïsten, met name onder de beoefenaars van
de eigen of van dode talen. Zij kwamen onder de indruk van het expliciete van de
TG-regels, het consistente van het regelsysteem, en het gemak waarmee vele
geïsoleerde zinnen zich leenden tot een geformaliseerde beschrijving in formules,
waardoor een TG-taalbeschrijving een wiskundeachtig (dus „wetenschappelij-
ker") uiterlijk kreeg. Bovendien was het, na de overconcentratie van veel structu-
ralisten op fonologie en klankleer, een verademing dat er weer eens grotere
eenheden zoals woordgroep en zinsstructuren de algemene aandacht kregen.
Veel nieuw inzicht in taaiverschijnselen is er echter tot nu toe niet uitgekomen, al
werd er meer dan eens een sinds lang bekend taalfeit als een ontdekking van „de
transformationalisten" (verder TG-ers genoemd) door hen opgevoerd, doordat
men geen kennis nam van wat vroegere grammatika's reeds omtrent een taal aan
het licht hadden gebracht; dat was tóch maar ,,taxonomie" en kon dus geen echt
inzicht geven'":
,,Er was een opvallende voorkeur voor extreme stellingnamen ten einde duidelijk te maken
hoezeer men verschilde van de oudere generatie van linguïsten, die alleen maar hadden
gepoogd te beschrijven maar die zelden tot verklaringen waren gekomen. Terwijl Joos de
nadruk had gelegd op de verschillen tussen de talen (1957 ...), ging men er nu van uit dat
alle talen eigenlijk hetzelfde waren, en dat zij alleen verschilden in onbelangrijke details in
de oppervlaktestructuur.
Vroeger bestudeerde men verschillende talen: nu ging men ervan uit dat Engels, de
moedertaal van de linguist, voldoende was.
Terwijl het verzamelen van een grote hoeveelheid taalmateriaal vroeger een eerste vereiste
werd geacht om tot een goede beschrijving te komen, en er zeer weinig aandacht werd
besteed aan taaltheorie, was er nu een neiging om veel aandacht te geven aan de theorie,
maar weinig aan de feiten. Dit vervallen in uitersten, dat de eerste jaren van de transfor-
mationele grammatika typeerde, is nu gelukkig geleidelijk aan het afnemen . . .", schrijft
E.M. Uhlenbeck (vertaUng BS)''.
Als leerling van Reichling, die o.a. de onmogelijkheid van de zogenaamde inter-
350
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's