Wetenschap en rekenschap - pagina 134
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
I. A. D I E P E N H O R S T
gespannen was — voor een college moest men hem met rust laten — was hij in
gevaarlijke uren vrolijk en bemoedigend, zelfs imponerend.
De Engelandvaart ondernomen in april 1944 om de regering overzee een beter
inzicht te geven over de situatie in Nederland en over het wenselijk beleid bracht
hem, na een veroordeling van twee jaar gevangenisstraf in de gevangenis van
Bochum, waar hij een afschuwelijk lijden moest doormaken om op 6 februari 1945
uitgeput te sterven. Wat het opgesloten zijn voor deze veelzijdige culturele mens
moet zijn geweest, die zich op theologisch, historisch, literair en juridisch terrein
met evenveel gemak bewoog, die gesteld was op vormen en die dankzij echtgenote
en kinderen een beschermd prettig leven had gekend, iemand kan het slechts
vermoeden, al was Rutgers' gave zich te schikken en ook van kleine dingen te
genieten verwonderlijk. Toen zijn weg wel heel zwaar werd en zelfs toen het einde
dichtbij kwam heeft hij, hoezeer zijn geloof een allerpersoonlijkst bezit was,
anderen daarover willen spreken.
Ook van de twee na Rutgers tot de faculteit toetredende ordinarii is op verschil-
lende manier de loopbaan, alles bijeen genomen, minstens evenzeer door hun
strijd tegen de Duitsers als door hun wetenschapsbeoefening gekenmerkt. Zij die
aan de benoeming van P.S. Gerbrandy tot hoogleraar hebben meegewerkt, zullen
niet hebben vermoed dat diens geslaagd professoraat zou uitlopen op een minis-
terschap van justitie, dat hem in het begin door velen is kwalijk genomen en op een
optreden als premier, dat de glorie van zijn leven bleek, onder hoe benarde
omstandigheden het dan ook vervuld werd. Een en ander verrast nog sterker
omdat de tot op de bewindsperiode getoonde eigenschappen het wel goed deden,
of niet hinderlijk waren binnen een universiteit, echter minder geschikt leken om
stuur te geven aan een kabinet in oorlogsjaren.
Toen Gerbrandy in 1930 voor handelsrecht, burgerlijk procesrecht en faillise-
mentsrecht werd benoemd lag al een geschakeerde loopbaan achter hem. Hij had
zich als bekwaam advocaat in Sneek — hij was zonder het te drijven bewuster Fries
tegenover de buitenwereld dan Anema — waar hij door zijn de kleinsteedse, de
orthodoxe gevoelens niet ontziend optreden — zoals fietsen op zondag — wel wat
irritatie wekte, een goede naam verworven. Hij bleek als lid van Gedeputeerde
Staten bestuursbekwaamheid te bezitten, voor niemand wijkend en als het nodig
was tot in Den Haag geschillen uitvechtend. Hier ligt de oorsprong van zijn
belangstelling voor het administratief recht. Zijn proefschrift: Het Heimstatterecht
(1911) dat zich bezig hield met het instandhouden van de boerderij als gemeen-
schap was weinig schokkend. Hij had er later schik in wanneer iemand het boekje
niet kende. Dit was anders met het gelet op de tijd en omstandigheden begrijpe-
lijkerwijs geruchtmakende werkje De strijd om nieuwe maatschappijvormen (1927),
dat hem de naam van „de rode advocaat uit Friesland" bezorgde. Het strekt de
Vrije Universiteit tot eer dat zij ondanks enige weerstand een man tot de katheder
riep die stellig niet de band tussen calvinisme en kapitalisme wilde bevestigen en in
tegendeel de sociale betekenis van het christendom mede in een nieuwe waarde-
130
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's