Wetenschap en rekenschap - pagina 148
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
I. A, D I E P E N H O R S T
bepleitte zij krachtig het begrip van volkenrechtelijk subject uit te breiden. Het
hing samen met haar religieuze overtuiging dat mensen afzonderlijk en in ge-
meenschap gelijkelijk in het middelpunt moesten staan. Toen in haar laatste
professorale jaren voor haar besef, als het ware door sommigen — deze lieden
bedoelden het waarschijnlijk minder erg dan dat zij het uitdrukten — in het
volkenrecht een wig werd gedreven, keerde zij zich scherp hiertegen. De voor-
stelling als zouden de oudere, meer gezeten volkeren, van westers-christelijke
komaf zich gaarne op de historisch geleidelijk gevestigde te hunnen voordele
werkende volkenrechtelijke regels beroepen terwijl de jonge, veelszins arme vol-
ken, liever — en met reden — zouden appeleren op levende beginselen van vol-
kenrecht, was volgens haar funest voor de na veel strijd verworven erkenning der
universaliteit van dat recht. Daarentegen was zij de eerste om te bevestigen dat er
aan de zedelijke onderbouw van het volkenrecht veel moest verbeterd worden. In
gesprekken drukte zij het wel in dier voege uit dat een volkenrecht met interna-
tionale organisatie, rechtspraak en arbitrage, machteloos zou blijken als niet beseft
werd hoe het te ordenen leven dat zoveel verbijsterende sociale ellende vertoonde,
het ordenend recht te boven ging. Zij was er van overtuigd dat internationale
rechtsbeginselen niet van één enkele godsdienstige moraal de vrucht zijn en aldus
werd op gelukkige wijze het draagvlak van het internationaal ethos verbreed.
6. DE LAATSTE TIENTALLEN JAREN
De in 1949 als ordinarius in de economische faculteit benoemde T.P. van der Kooy
(1902) inaugureerde in 1950 op de economische leerstoel van de juridische facul-
teit geroepen — hij trad in dat jaar ook als extra-ordinarius in de faculteit der
economie en in die der sociale wetenschappen op — over De zin van het economi-
sche, hij sprak in 1969 de diesrede uit onder de titel Hedendaagse maatschappij-
kritiek en beëindigde het jaar daarop zijn actieve academische loopbaan met een
afscheidscollege dat Het neo-anarchisme en de toekomst der samenleving als titel
voerde. Het werd niet in verbondenheid aan de juridische faculteit voorgedragen
want de redenaar sinds 1960 niet meer tot de economische faculteit behorend, was
in 1963 in de sociale faculteit gewoon hoogleraar geworden, dit gecombineerd met
het tot 1969 durende extra-ordinariaat in de rechtenfaculteit. Van der Kooy had in
Rotterdam aan de Nederlandse Economische Handelshogeschool gestudeerd en
daar was hij bij Sneller in 1931 gepromoveerd op het proefschrift De Hollandse
stapelmarkt en haar verval. Hij zette zijn in 1928 aangevangen werkzaamheid in het
bedrijfsleven tot 1932 voort om het vervolgens Haags ambtenaar geworden tot
secretaris-generaal op het Departement van Economische Zaken te brengen. Ook
had hij van 1948 tot 1949 te Leiden een bijzonder hoogleraarschap in de econo-
mische geschiedenis vervuld. Naar aard en verleden deden verwachten vielen bij
144
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's