Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 42
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
dingskerk", het gebouw aan de Amstel waarin nu de Kleine Komedie is
gehuisvest, tot doctor in de wijsbegeerte en de letteren. Zijn proefschrift
ging over een Amsterdammer, over Pieter Corneliszoon Hooft, als schrijver
der Nederlandsche Historiën.^'* Dit zevende proefschrift van de Vrije Uni-
versiteit leidde tot een doctoraat met de hoogste lof; magna cum laude.
Wie toen zou menen dat dit betekende dat Breen geschikt was voor een
professoraat, kwam bedrogen uit. Zijn promotor prof dr. J. Woltjer heeft
die benoeming niet gewild, waarschijnlijk omdat Breen moeilijk sprak en
zijn gezondheid veel te wensen over liet. Breen solliciteerde naar verschil-
lende functies, maar zijn doctorsbul had geen wettelijke erkenning en
wellicht mede daarom bleven de deuren voor hem, die zijn examens om
principiële redenen niet aan een erkende universiteit over wilde doen,
voorlopig dicht. Wel werd hij 20 november 1894 toegelaten als volontair op
het Gemeentearchief van Amsterdam, waar hij veel had gestudeerd. Pas 7
januari 1897 werd hij tijdelijk ambtenaar en spoedig daarna, op 21 februari
1898, adjunct-archivaris bij het Gemeentearchief
Intussen vond prof. Woltjer een tijdelijke functie voor Breen in de
bibhotheek. Twee maanden na het overlijden van De Hartog, op 2 april
1895 stelde de Senaat aan Directeuren voor:
„dat vanwege Directeuren tot Dr. J.C. Breen alhier het verzoek worde gericht:
a. een lijst van de boeiden zonder eenige waarde en van de duplicaten van die boeken die
ook weinig waarde hebben op te maken;
b. de bibliotheek v.d. Bergh te schiften en in de akademische op te nemen;
c. in overleg met de professoren tot uitschifting en verkoop over te gaan;
d. den catalogus behoorlijk in orde te brengen.
Hiervoor Dr. J.C. Breen een gratificatie van ƒ 100,— ƒ 300,— toe te kennen".
Dat Breen hiermee op proef kwam blijkt uit de toevoeging om „voor een
definitieve regeling van het beheer der bibliotheek diligentverklaring te
verzoeken".
Nadat Breen de gehele bibhotheek had gecatalogiseerd vond op 1 juni
1896 zijn benoeming tot Bibliothecaris plaats, voorlopig voor één jaar. De
uitgaven voor de bibliotheek stegen tot ƒ 776,55, maar daarin zat een
jaarsalaris van ƒ 300,— voor de nieuwe bibhothecaris. Drie uur per week
moest Breen voor dit bedrag werken. In 1919 werd op zijn verzoek het
salaris verhoogd tot ƒ 360,— per jaar, d.w.z. aan het einde van elk kwartaal
werd ƒ 90,— uitbetaald. Als de hoogleraren 45 uur per week werkten
kwamen zij evenals Breen op een uurloon van ƒ 2,—.
Na zijn proefschrift heeft Breen nog vele historische artikelen geschre-
ven, maar geen enkel boek. Hij was wel de stuwende kracht achter de
jaarboeken van Amstelodamum. In het Gemeente-archief droeg hij zorg
voor de historische bibliotheek en de atlas van Amsterdam. Ook was hij
eerst diaken en later ouderhng van de Gereformeerde Kerk en 24 jaar lang
was hij secretaris van de Vereeniging voor Lager Onderwijs op Gerefor-
meerden grondslag te Amsterdam.
26
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's