Wetenschap en rekenschap - pagina 334
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
G J DE VRIES
klassieke sectie weinig effect gehad hebben. Met de in die tijd en later voor de dag
gekomen teksten (het „lineair B") zal de sectie evenmin weg geweten hebben als
enige andere: pas in 1952 is de ontcijfering in principe gelukt.
In de negentiende eeuw is de wetenschappelijke studie van de mens' begonnen;
classici hebben zich bij dat begin geweerd. Ze is later heel breed uitgegroeid, ver
buiten het terrein der klassieken, en heeft ons welkome steun kunnen bieden bij
onze interpretaties. R.H. Woltjer zal haar ontwikkeling stellig gevolgd hebben
(zijn kennis is encyclopedisch geweest): maar van haar resultaten is pas na 1950 bij
ons iets te merken.
De beide Woltjers zijn zeer goed thuis geweest in de taalwetenschap, zowel in de
vergelijkende als in de algemene. Pos is behalve filoloog en filosoof ook linguist
geweest (hoewel voornamelijk taalfilosoof). Bij hen is de traditionele band tussen
filologie en taalwetenschap nog zo hecht als maar kan. Maar tussen 1920 en 1930
begint de stormachtige ontwikkeling van de moderne linguïstiek, en de band
tussen de twee wetenschappen wordt aanmerkelijk losser. Veel classici (niet alleen
van onze universiteit) beoefenen dan de taalkunde, vooral de syntaxis, zonder
voeling te houden met de algemene taalwetenschap. Een belangrijke gebeurtenis
als de boven al aangestipte ontcijfering van het lineair B (het „Myceens") veran-
dert daaraan niets. Uit die ontcijfering groeit een nieuw specialisme, de Myceno-
logie, dat door enkele tientallen over de wereld verspreide onderzoekers beoefend
wordt; de „gewone" graecus neemt kennis van hun resultaten en gebruikt die
onder meer voor zijn studie van de historische grammatica. Maar in de laatste
jaren ziet men tussen filologie en algemene taalwetenschap weer toenadering. In
onze sectie wordt getracht historische grammatica, Mycenologie en algemene
taalwetenschap samen te brengen (zoals zo vaak in zulke gevallen, doordat één
man een personele unie tot stand kan brengen).
GENERALISERING
Het begin van de algemene literatuurwetenschap kan men in Indië zoeken. In elk
geval kan men ze in Griekenland vinden, en van daar kan men ze continu door
laten lopen tot onze tijd toe. Tussen halfweg de vijftiende en halfweg de negen-
tiende eeuw spelen classici er een belangrijke rol in. Maar met haar moderne
vormen hebben de neofilologen eerder en nauwer contact gehad dan zij. Dat wil
niet zeggen dat die haar problematiek verwaarloosd hebben: met allerlei kwesties
die de algemene literatuurwetenschap tot haar domein rekent zijn ze bezig geweest
(compositie, orale poëzie, metaforiek etc); maar dat hebben ze om zo te zeggen
binnenskamers gedaan. Na 1950verandert dit, ook bij ons. Men gaat bijvoorbeeld
antieke theorieën over literatuur bestuderen in vergelijking met de contemporaine
en bekijkt, in hoeverre de thans courante methoden bruikbaar zijn voor de studie
328
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's