Wetenschap en rekenschap - pagina 63
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR T H E O L O G I E AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
accenten legde, die zich onderscheidden van de ecclesiologische inzet van Kuyper,
omdat Hoedemaker deze driehoeksrelatie nooit los kon zien van het volk en de
kerk van het volk.
Toen de V.U. enige jaren draaide, kreeg dit verschil een acuut karakter, doordat
het zich toespitste in de beleidsvraag, welke gedragslijn men diende te volgen met
betrekking tot de aan de V.U. afstuderende jonge theologen. Op de jaarvergade-
ring van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag te
Utrecht in 1884 kwam de vraag aan de orde, of het al dan niet raadzaam is, dat er
vanwege de Vereeniging stappen gedaan worden om aan de V.U. afstuderende
theologen tot de Bediening des Woords te doen geraken. Na ampele discussie werd
met vrijwel algemene stemmen een motie aangenomen van Ds. B. van Schelven,
die inhield, dat ongeacht wat ieder individueel meende te moeten doen, de Ver-
eeniging zelf zich in dezen van stappen meent te moeten onthouden. Hoedemaker
was het met deze beleidsbeslissing volstrekt oneens en heeft haar toen en later in
de scherpste bewoordingen aan de kaak gesteld. De aanvaarding van die motie
bedoelde z.i. ruimte te scheppen om naar de theorie van het confoederatief
kerkverband — de theorie van Rutgers en Kuyper, waarvan Hoedemaker zich al
lang te voren gedistantieerd had — „te experimenteeren".^^
Hij protesteerde tegen de motie in een missive aan directeuren van de V.U. — een
missive die in de senaat langdurige en geladen discussies opriep. Hoedemaker
wilde, dat de V.U. zelf bij de synode zou aankloppen om toelating van haar
studenten tot het predikambt in de Nederlandse Hervormde Kerk te bewerkstel-
ligen. Hij zag in haar ondanks de onwettigheid van de kerkelijke bestuurslichamen
toch nog steeds de vaderlandse kerk der Reformatie. De meerderheid van de
V.U.-kring daarentegen ontkende niet slechts de wettigheid van de kerkelijke
bestuurslichamen maar beschouwde dit kerkinstituut zelf als uiterst problematisch
en achtte het daarom ongewenst de theologische candidaten tot de bediening des
Woords in deze kerk te brengen."
Hoedemaker vertolkt zijn diepste persoonlijke, kerkelijke maar ook theologische
overtuiging, wanneer hij later bij zijn ambtsjubileum in 1893 spreekt over zijn
keuze „om het vurig begeerde herstel van Neêrlands Kerk niet te zoeken in eenen
beperkten kring van belijders, die zich terugtrekt om op eigen hand en eigen
terrein aan elkander te geven, wat door ons voor heel de Kerk en heel het volk
wordt gezocht"*^
Ik heb gemeend binnen het bestek van deze historiebeschrijving aan de positie-
keuze van Hoedemaker inzake het universitaire beleid betreffende de kerk niet te
mogen voorbijgaan. Want deze positiekeuze ligt achter alle ecclesiologische bij-
dragen, die in de periode van zijn hoogleraarschap van zijn hand verschenen. Zijn
theologie is meer dan die van Kuyper en Rutgers historisch-gesitueerd. De ker-
kelijke spanningen.die zich in de discussie tussen Hoedemaker en de meeste
andere V.U.-mannen weerspiegelden, kwamen tot ontlading in de Doleantie.
Hoewel Hoedemaker het optreden van de kerkbesturen fel kritiseerde, ging hij
niet met de Doleantie mee. Zijn positie aan de V.U. werd daardoor erg moeilijk.
59
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's