Wetenschap en rekenschap - pagina 128
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
I A DIEPENHORST
Nog een ander lid uit dit geslacht van de Zuidhollandse eilanden werkte voor
enkele jaren aan de faculteit mee. Chr. Zevenbergen (1897-1976) was na vol-
brachte rechtenstudie aan de Vrije Universiteit in 1920 tot juridisch doctor ge-
promoveerd op het onderwerp Karakter en geschiedenis der iudicia bonafidei. Hij
nam in 1923 een lectoraat in handelsrecht, burgerlijk procesrecht en romeins recht
op zich, maar aanvaardde in 1928 een hoogleraarschap in Utrecht. Robuuster van
karakter dan zijn broer vond hij steeds gemakkelijk zijn weg, werd door de
studenten gewaardeerd en publiceerde tijdens zijn Amsterdamse tijd het Leerboek
van het Nederlands recht der order- en toonderpapieren (1924), dat veel gebruikt
werd en de inzet voor latere publicaties vormde.
Er schuilt enige ironie in het feit dat H. Dooyeweerd (1894-1976) in 1926 een
ordinariaat in de rechtsfilosofie, de encyclopedie-rechtswetenschap en het oud-
vaderlandsrecht ten deel viel. Hij had aan de Vrije Universiteit gestudeerd, was in
1917 op het proefschrift De ministerraad in het Nederlandsche staatsrecht gepro-
moveerd bij Fabius, waarna eerst ambtenaarlijke werkzaamheid was gevolgd en
van 1922 tot 1926 het adjunctdirecteurschap van de dr. Abraham Kuyper Stich-
ting, een toevallige maar rake benoeming. Het plan hem een speciale leerstoel te
laten bezetten, stuitte op verzet van de faculteit, maar Zevenbergens vroege dood
bracht een ongekende wending. De inaugurele oratie over De betekenis der wetsi-
dee voor rechtswetenschap en rechtsfilosofie luidde een 39-jarig professoraat in, dat
werd afgesloten met een college over Het oecumenisch reformatorisch grondmotief
van de wijsbegeerte der wetsidee en de grondslag der universiteit (1965). In het
tussenliggend tijdvak was naar de omvang veel, naar de inhoud hoogst oorspron-
kelijk werk geleverd. Het magnum opus is wel geweest De wijsbegeerte der wetsidee
(3 delen, 1935/1936), dat na de oorlog gewijzigd en aangevuld in het Engels
verscheen: A new Critique of theoretical Thought (4 vol., 1954/1955). Daarnaast
zijn te vermelden: De crisis der humanistische staatsleer (de uitgewerkte rectorale
oratie van 1926), De theorie van de bronnen van het stellig recht in het licht der
wetsidee (1932), De Christelijke staatsidee (1936), Grondproblemen in de leer der
rechtspersoonlijkheid {[9211), De verhouding individu en gemeenschap in de romeinse
en germaanse eigendomsopvatting (1938), De weg der differentiatie in strafrecht en
reclassering (1939), Reformatie en scholastiek in de wijsbegeerte I (1946), De strijd
om het souvereiniteitsbegrip in de moderne rechts- en staatsleer (de tweede rectorale
oratie, 1950). De modale structuur van het juridisch oorzakelijkheidsverband (1950),
Het is een greep en er werd tot 1973 — men neme de bijdrage in het Speculum
Langemeijer — gepubliceerd.
Roepingsbesef en zelfs gedrevenheid moesten er zijn om zoveel arbeid te kunnen
verrichten. Dooyeweerd heeft zich dan ook op het hoogleraarschap geworpen. In
het begin lukte het hem matig op de colleges de stof over te brengen. Na enkele
jaren had hij zich tot een boeiend docent ontwikkeld, die anders dan zijn vooral de
eerste tientallen jaren ingewikkelde, sterk door Duitse auteurs beïnvloede schrijf-
wijze deed vermoeden, helder kon uitleggen en de meeste studenten, hoewel zijn
124
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's