Wetenschap en rekenschap - pagina 333
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR KLASSIEKE F I L O L O G I E IN DE VRIJE UNIVERSITEIT
ONTWIKKELINGEN IN HET VAK
Toen de stichters der universiteit een literaire faculteit met een klassieke sectie
inrichtten, hebben ze ook (sommigen van hen misschien het meest) gedacht aan
het profijt dat theologen daarvan konden trekken — toen meende men nog dat een
theoloog het Nieuwe Testament en de kerkvaders in de oorspronkelijke talen
moest kunnen lezen en zich op de hoogte moest kunnen stellen van de tot diep in
de vorige eeuw grotendeels in het Latijn geschreven theologische literatuur. Dat
profijt is niet uitgebleven, mogen we wel zeggen: ze hebben een grondige filolo-
gische scholing gehad. Maar de classici hebben niet minder geprofiteerd van de
klassieke vooropleiding der theologen. In hun eerste jaren volgden ze die mee;
daardoor moesten ze zich al heel vroeg vertrouwd maken met de uiterst gecom-
pliceerde overlevering van het Nieuwe Testament: een goede voorbereiding voor
studie in de overlevering van de klassieke auteurs. Bovendien gingen ze christelijke
griekse en latijnse schrijvers lezen: classicistische vooroordelen werden daardoor
afgeleerd, en er werd aandacht besteed aan de postklassieke fasen van de talen.
Vooral wat betreft kennis van het postklassieke Grieks heeft onze sectie daardoor
lang een voorsprong gehad op andere. De studie in de patristiek had al tastbare
resultaten opgeleverd, toen omstreeks 1930 de Nijmeegse school haar vruchtbare
werk in het christelijk Latijn begon: daar hebben Sizoo en zijn leerlingen direct bij
kunnen aanknopen. Onder zijn leiding zijn goede dissertaties vervaardigd, vooral
commentaren op christelijke latijnse auteurs.
Een voorsprong hebben we ook gehad in de kwesties van overlevering en kritiek.
De constitutie van een tekst is in de klassieke filologie bijzonder moeilijk, gezien de
aard van de overlevering waarop ze moet bouwen. Op dit punt is de vorige eeuw
dikwijls hyperkritisch geweest; in kwesties van authenticiteit niet minder. J.
Woltjer heeft zich hiertegen verzet. Zijn denkbeelden over deze onderwerpen zijn
veel te weinig bekend geworden — ze zijn grotendeels te vinden in publicaties van
een obscure universiteit, en dan nog in het Nederlands gesteld. Maar veel van wat
tussen 1930 en 1950 door het werk van Pasquali en anderen gemeen goed gewor-
den is kan men reeds door Woltjer verdedigd vinden.
In de eerste jaren der universiteit zijn de papyri gaan stromen. We hebben literaire
papyri gekregen; soms onbekend werk van bekende auteurs, soms werk van
schrijvers van wie we alleen de naam kenden. Verder veel documenten die de
economische geschiedenis verhelderden, en enorm veel gegevens over de ontwik-
keling van de taal. Bij het werk in de papyri is R.H. Woltjers aandacht vooral
gericht geweest op wat ze over het taalgebruik van het Nieuwe Testament konden
leren, maar toch ook op wat ze aan nieuw licht wierpen op de literaire en de
politieke geschiedenis.
In dezelfde tijd vinden opzienbarende opgravingen plaats; de bekendste zijn die
op Kreta. Archeologie en geschiedenis der antieke kunst bestonden toen bij ons
alleen in naam; het door de opgravingen gewonnen nieuwe inzicht zal in de
327
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's