Wetenschap en rekenschap - pagina 341
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
A L G E M E N E TAALWETENSCHAP AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
Paradijs Hebreeuws heeft gesproken, terwijl toch „het Hebreeuwsch toen nog niet
bestond". Hij wijst er dan op dat de Hebreeuwse namen als vertalingen moeten
worden gezien, en dat ook onze Bijbelvertaling consequenter zou zijn geweestals
inplaats van de Hebreeuwse namen de termen „ M a n n i n " (die wél gegeven wordt),
„Levensgeefster", en andere vertalingen waren gebruikt:
,,dan zou de zinspeling in onze eigen taal zijn overgebracht, zonder dat iemand daaruit af
zou leiden, dat in het Paradijs Hollandsch was gesproken . .." (174/175). Conclusie: ,,de
Paradijstaai was een veel oorspronkelijker taal", en pas later is „bij het opstellen van het
Paradijsverhaal, deze zinspeling op de afleiding der woorden, uit die Paradijstaai in het
Hebreeuwsch . ,. overgebracht" (175).
De vele vragen die déze verklaring oproept behandelt Kuyper niet; noch wordt
duidelijk of zij wel strookt met zijn eigen bewering dat de talen van
„onze beschaafde volken in West-Europa . .. een ontwikkeling bezitten waarbij die van
menige negertaai 't eenvoudig niet haalt. Zoo rijk als onze talen zijn, zoo arm zijn de talen
dier natuurvolken"(113, cursief BS).
Dat deze laatste opvatting over de talen van primitief levende mensen onjuist is, is
Kuyper later waarschijnlijk wel onder 't oog gebracht, want in Deel III van de
Gemeene Gratie, dat twee j a a r later het licht zag, lezen we in een beschouwing over
het wereldwijde wonder van de moedertaal-verwerving, waarvoor een kind geen
school nodig heeft:
„Daar bij die wilde stammen toch (Negers op de Zuidzee-eilanden, BS), waar van een
school geen sprake is, en de taalvormen niet zelden nog rijker ontwikkeld zijn dan bij ons,
leert het kind op volkomen wijze de taal van zijn moeder spreken, zonder dat er zoo goed als
ooit opzettelijke onderwijzing plaats grijpt" (III, p, 381. cursief BS).
Dat Kuyper ook de kunst verstond, een andere opvatting dan de zijne belachelijk
te maken, blijkt wel uit de volgende passage over de conventionele aard van onze
taaltekens-':
„Enerzijds toch hield men staande, dat een taal een afgesproken stukwerk was. De men-
schen hadden dat zoo onder malkander klaargemaakt, dat een schepsel op twee pooten een
vogel en op vier pooten een dier zou heeten. Zoo was de taal al rijker geworden, steeds
vollediger in elkaar gezet. En wat de nieuw komende menschen nu deden, was niets anders
dan van buiten leeren, wat vroeger door afspraak alzoo in gebruik was gekomen. Dit
poogde men dan op allerlei manier aannemelijk te maken; en alle deze stelsels waren
conventioneele taalstelsels, d.i. stelsels die den oorsprong der talen verklaren uit overeen-
komst, afkomst of conventie" (1,176).
Anderzijds blijkt uit Kuyper's algemene uitlatingen over wetenschap en onder-
zoek soms weer hoe modern zijn visie was. Zo is er een stuk waarin hij, evenals zijn
335
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's