Wetenschap en rekenschap - pagina 503
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE PSYCHOLOGIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
schouwelijke momenten in de psychologie Hienn had deze in zijn discussie met
o a Jung de stelling verdedigd dat de psychologie zich daarom nooit op de loutere
„psychische Tatsachlichkeit" kon baseren, omdat haar einddoel niet lag in het
verzamelen van feiten, maar in het systematisch met elkaar in verband brengen
daarvan Vandaar dat de psychologie zijns inziens onvermijdelijk van voorwe-
tenschappelijke uitgangspunten uitging, wat voor hem betekende dat zij uit zou
moeten gaan van een Bijbelse mensvisie En als antwoord op de vraag of ,,dit
.vooroordeel' als uitgangspunt een beperking, een eenzijdigheid of een nodeloze
hypothese voor den wetenschappelijken arbeid" was, had hij gesteld dat dit beslist
niet het geval was „Het gaat hier niet om een hypothese ter verklaring van
waargenomen verschijnselen of om een constructie, die een bepaalde visie aan-
nemelijk moet maken, maar om ontvangen, niet door eigen denken bereikte
geloofskennis van de werkelijkheid Hoe meer deze geloofskennis wordt ver-
onachtzaamd, des te meer wordt de werkelijkheid van de mens uit het oog verlo-
ren, en des te meer raakt men in de wetenschap het spoor bijster Een ander
uitgangspunt zal daarom niet gelijkwaardig geacht kunnen worden" (1950, p 17)
Hiertegenover stelde Fokkema dat men in de psychologie het spoor niet bijster
raakte door het ontbreken van goede vooronderstellingen of voorwetenschappe-
lijke noties, maar juist door het feit dat men zich zozeer door het gevoel van
subjectieve evidentie omtrent de juistheid van deze noties het leiden dat men het
met nodig achtte de op grond daarvan opgestelde theorieën te toetsen Zijns
inziens werd het wetenschappelijk gehalte van een psychologische uitspraak niet
bepaald door de daaraan ten grondslag liggende levensbeschouwing, maar door
de mate waarin deze de mogelijkheid bood om gefalsifieerd te kunnen worden
„Het zal moeilijk zijn een wetenschapsbeoefenaar te vinden die zou willen pre-
tenderen, dat de hypothesevorming plaats kan vinden zonder de inmenging van
voorwetenschappelijke en vaak subjectieve noties en eventueel intuïties Niette-
min kunnen en moeten aan de hypothese methodologische eisen gesteld worden
ten einde de garantie te hebben dat het in de hypothese beweerde op constateerbare
werkelijkheid van toepassing is en derhalve toetsbaar is Het aanvaardbaar zijn van
een theorie kan dus met afhangen van de levensbeschouwelijke elementen, die er
mm of meer duidelijk in verwerkt zijn, doch uitsluitend van het feit, of de theorie
Ie falsificeerbaar is, en 2e falsificatiepogingen met succes doorstaan heeft" (1960,
p 281,291)
Soortgelijke opvattingen, waarin eveneens verwezen werd naar het onderscheid
tussen de „context of discovery" en de „context of justification", werden door
Drenth naar voren gebracht Want ook al kon hij instemmen met Wijngaarden's
stelling dat het de taak van de wetenschap was om de waargenomen feiten
systematisch te ordenen in een theorie, en dat in dat ordeningsproces voorweten-
schappelijke notities een rol speelden, toch was hij net als Fokkema van mening
dat ,,een theorie eerst waarlijk aanvaardbaar wordt, als ik uit haar een voorspelling
kan afieiden, die, in een toetsing aan objectieve data, blijkt uit te komen Deze
voorspelling vormt een belangrijke conditie Een poging om een waargenomen
497
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's