Wetenschap en rekenschap - pagina 290
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J. LEVER/L. VLIJM
3.3.3.3. Vakgroep Oecologie
Door de benoemingen van L.W. Kuilman (1955) en L, Vlijm (1958) werden, toen
nog binnen het Botanisch, respectievelijk Zoƶlogisch Laboratorium, afdelingen
voor experimentele plantenoecologie en dieroecologie opgezet. Bij het emeritaat
van Kuilman werd besloten om in het verband van een Vakgroep Oecologie,
aandacht aan 3 velden binnen de oecologie te besteden, t.w. Plantenoecologie,
Dieroecologie en Levensgemeenschapsoecologie.
Plantenoecologie. Kuilman, allereerst benoemd voor de tropische plantkunde,
ontwikkelde de experimentele plantenoecologie. Diverse thema's van onderzoek
werden aangevat. Allereerst werd de populatiebiologie van een aantal soorten
onderzocht (Groot, en Van Andel), doch ook werd begonnen met onderzoek in
meer toegepaste richting. Zo werden wegbermvegetaties, in verband met proble-
men van beheer, onderzocht, en werd ook de dispersie van pollenkorrels van
grassen, van belang in verband met het optreden van hooikoorts, bestudeerd. In
het kader vande samenwerking met het Fytopatiiologisch Laboratorium te Baarn
werden b.v. de effecten van gisten op verouderde bladeren van riet onderzocht
(V.d. Burg).
Nadat Kuilman in 1973 met emeritaat ging kwam de Plantenoecologie, thans
binnen de vakgroep Oecologie, onder leiding van Ernst. Hij was gespecialiseerd in
de effecten van zware metalen op planten, en de algemene effecten op de vegeta-
tie. Vanuit deze invalshoek ontwikkelde hij allereerst onderzoek naar de mine-
raal-stofwisseling van planten in diverse gebieden. Ernst startte ook onderzoek
naar de effecten van het milieu op de vegetatie van een bij tijden door zeewater
overstroomde strandvlakte op Schiermonnikoog (Rozema).
Voornamelijk onder leiding van Van Andel worden thans vraagstukken van
planten in kapvlakten onderzocht, terwijl daarnaast populatie-genetische onder-
zoekingen aan diverse plantensoorten worden verricht. Naast de continuering van
het onderzoek aan zware metalen, zijn het deze hoofdthema's die in de toekomst
nader zullen worden voortgezet.
Dieroecologie. Na zijn benoeming in 1958 begon Vlijm met onderzoekop het
gebied van de oecologie van dieren, allereerst over populaties van loopkevers (Van
Dijk). Daarnaast ontwikkelde hij onderzoek op het gebied van de oecologie van
wolfspinnen (Lycosidae), waarbij vooral aandacht werd besteed aan het genus
Pardosa. Zo werd o.a. het spinklierapparaat van verschillende soorten in verband
met het gebruik van de habitat bestudeerd (Richter), en de relatie tussen de
hoeveelheid voedsel en de eiproductie (Kessler) onderzocht. Tevens werd aan-
dacht gegeven aan de verschillen tussen een aantal nauwverwante soorten, welke
gedeeltelijk in eenzelfde gebied voorkomen, en nagegaan op welke wijze zich
afzonderlijke populaties handhaven (Den Hollander). Ook het gedrag en de ver-
schillen daarin tussen soorten maakte een belangrijk thema van onderzoek uit.
De derde groep van onderzochte soorten werd gevormd door springstaarten
286
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's