Wetenschap en rekenschap - pagina 85
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR T H E O L O G I E AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
H.H. Kuyper — hield hij zich veelvuldig bezig met de figuur van Calvijn. Calvijn,
door hem nooit verheerlijkt, gold voor hem toch in menig opzicht als „leidsman en
voorbeeld."'In diverse bijdragen belichtte Nauta momenten uit Calvijn's leven en
werken, waarbij hij meer dan eens ook aspecten van diens theologie besprak. In de
derde plaats richtte Nauta zijn aandacht op de geschiedenis van de gereformeerde
beweging in de vorige eeuw, die tot het ontstaan van de gereformeerde kerken
leidde. In verband hiermee zij vermeld zijn verhandeling over de verbindende
kracht van de belijdenisschriften, die een fraai staal is van de objectiviteit en
zakelijkheid, waarmee Nauta ook een dergelijk fel omstreden facet van deze
geschiedenis weet te ontleden.'^Ook de wetenschappelijke beoefening van het
kerkrecht ligt Nauta na aan het hart en hij betreurt het, dat Nederland daarin bij
het buitenland m.n. bij Duitsland, ten achter blijft.'
Nauta's zakelijkheid en objectiviteit sluiten engagement niet uit. Dit engagement
betrof, zoals in verschillende publicaties duidelijk aan het licht treedt, met name
de eenheid van de kerken, die uit de reformatie van Calvijn zijn voortgeko
men.'Van de intensivering van het contact en de samenwerking van de neder
landse hervormde kerk en de gereformeerde kerken heeft hij zich ook in geschrifte
een voorstander betoond.^
Vermelding verdient nog Nauta's lexicografisch werk. In de tweede druk van de
„Christelijke Encyclopedie" publiceerde hij niet alleen allerlei artikelen over per
sonen en richtingen, maar ook — en dat is in zekere zin een novum — over steden,
waarvan hij in korte trekken de lokale kerkgeschiedenis de revue laat passeren.
Van de redactie van het „Biografisch Lexicon van Protestantse Godgeleerden" is
hij voorzitter. Voorts is Nauta betrokken bij de herziening van de Winkler Prins
encyclopedie.
In deze periode ontplooit voorts J.H. Bavinck zijn bijzondere talenten ten vol
le.^Typerend voor Bavinck is, dat hij zich in de loop van de tijd op verschillende
gebieden concentreerde, waarbij telkens de essentie van de ene fase overging in de
volgende om daar in een nieuwe context vruchtbaar te worden. De studie over
Heinrich von Suso, waarmee hij in 1919 te Erlangen in de filosofie promoveerde
ontsprong aan zijn grote belangstelling voor de godsdienstpsychologie, waarvan
ook andere publicaties van vóór 1930 getuigden.'In 1930 trad Bavinck in dienst
van de zending in het toenmalige Nederlands OostIndië en weldra werd hij als
docent verbonden aan de Theologische Opleidingsschool in Djokjakarta. Als
theologisch docent in de Oost en na 1939 als zendingshoogleraar in Nederland
verdiepte hij zich in de vragen van de missiologie. Wat aan zijn bezinning op de
ontmoeting van het evangelie met de wereld der religies een geheel eigen kleur gaf
was zijn intense aandacht voor de mens, die in zijn religie met de diepste levens
vragen bezig is.
Zijn fascinerende boek over Christus en de mystiek van het Oosten laat zien,
hoezeer hij zich had ingeleefd in de ziel van het Oosten en in de specifiek oosterse
religieuze beleving. De affiniteit met de mystiek, die in de dissertatie al opvalt,
81
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's