Wetenschap en rekenschap - pagina 277
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
BIOLOGIE
antwoord gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Daarom zijn ook veel biologen
actiefin zaken van natuurbescherming, natuurbeheer en natuureducatie.
Dit leidt tenslotte naar een laatste opmerking. De biologische wetenschappen
hebben enerzijds bijdragen gegeven aan het vergroten van de voedselproductie en
zo aan het verbeteren van de situatie van de mens, doch anderzijds, en in toene-
mende mate, gewaarschuwd tegen de verwoesting van de natuur, daarbij wijzend
op de unieke positie van de mens. Enerzijds werkten zij, via meer voedsel en
verlaging van het sterftecijfer van de mens, mee aan de explosie van de menselijke
populatie, terwijl zij anderzijds op het gevaarlijke karakter hiervan wezen. Zo is de
biologie tegenwoordig nauw betrokken bij vele van de kardinale problemen van
de mensheid: voedselvoorziening, aantallen mensen, kwetsbaarheid van het mi-
lieu en conflicten tussen individuen en tussen groepen van mensen (gedrag).
Uit dit overzicht blijkt duidelijk dat de huidige biologie een zeer groot veld
bestrijkt. Toen aan de Vrije Universiteit de opleiding van biologen begon, moesten
daarom duidelijke keuzen worden gedaan.
3.2. De historische ontwikkeling
Nadat, in 1950, de subfaculteit der biologie werd opgericht, beperkte het eerste
onderzoek zich vrijwel geheel tot de experimenteel biologische onderdelen: de
plantenfysiologie (L. Algera) en de experimentele dierkunde (J. Lever). De derde
docent (J.J. Duyvené de Wit) vertrok binnen enkele maanden naar Zuid-Afrika.
Aan de meer beschrijvende richtingen van de biologie werd voornamelijk in het
onderwijs, en gedurende excursies en werkkampen aandacht gegeven.
L. Algera ging onlangs met emeritaat en werd opgevolgd door R. Kraayenhof
(1978).
In de tweede helft van de jaren vijftig maakte de subfaculteit een eerste fase van
groei door. Daarbij werd speciaal aanvulling gezocht in op veldwerk en op het
milieu betrokken onderdelen van de biologie. Docenten werden aangesteld voor
de plantensystematiek (M. Vroman, 1955), diersystematiek en zoögeografie (K.H.
Voous, 1955), plantenoecologie (L.W. Kuilman, 1957) en dieroecologie (L. Vlijm,
1958). L.W. Kuilman is inmiddels opgevolgd (1973) door W.H.O. Ernst, en K.H.
Voous door C. Wilkinson (1978).
In een latere groeifase werd het terrein van de moleculaire biologie uitgebouwd, in
nauwe samenwerking met de subfaculteiten der scheikunde (R.J. Planta, 1963) en
der natuurkunde (Joh. Blok, 1963). Dit blijkt uit de benoemingen in de microbio-
logie van A.H. Stouthamer (1963), en in de genetica van H.J.J. Nijkamp (1972) en
F.K. de Graaf (1978). Ook was van uitbouw van de reeds aanwezige richtingen
sprake: diermorfologie (L.J. Antheunisse, 1962), experimentele dierkunde (J.
Joosse, 1966), histologie (H.H. Boer, 1966), neurofysiologie (T.A. de Vlieger, 1967)
273
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's