Wetenschap en rekenschap - pagina 302
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J . R . VAN DE FLIERT
faculteit met wiskunde, natuurkunde en scheikunde werd opgericht. In de jaren
vijftig is de biologie erbij gekomen. Met de geologie wordt nu het laatste paard
over de brug gebracht. Een mijlpaal wordt bereikt niet alleen in die zin dat een
faculteit aan een universiteit wordt gecompleteerd. De komst van de aardweten-
schappen aan de V.U. mag ook gezien worden als een symbool van een keerpunt,
van een periode die afgesloten wordt of althans afgesloten gaat worden. Een
heroriëntatieperiode waarin voor het werk binnen de Universiteit ook de grond-
slag van de gereformeerde beginselen vervangen zal gaan worden door de doel-
stelling van de dienst aan God en Zijn wereld, ook in de wetenschapsbeoefening.
Van buiten de V.U. werd uiteraard gekeken naar de ontwikkeling van de geologie
aan een universiteit die voortkwam uit een kring waar de evolutieleer vroeger
bestreden was, en dat niet alleen door theologen. Immers ook de wijsgerige school
van Dooyeweerd en Vollenhoven heeft zich altijd kritisch ten aanzien van het
evolutievraagstuk opgesteld hoewel er daar, althans bij bepaalde vertegenwoor-
digers, belangrijke nuanceringen waren. Daarom werd er niet alleen van buiten
naar de nieuwste ontwikkehng gekeken maar mocht ook binnen de eigen kring op
kritische belangstelling worden gerekend en was de vraag hoe dat deel van de
gereformeerde gezindte dat de Vrije Universiteit in stand hield zou reageren op de
aanvulling van de wis- en natuurkundige faculteit met een wetenschap die bij
sommigen als „gevaarlijk" gold, althans in die zin dat zij een kritische instelling ten
opzichte van de bijbel bevorderd had. Behalve met de verhoudingen in eigen land
had de V.U. dan bovendien nog te maken met haar internationale contacten.
Daarmee stonden de docenten voor de vraag wat hun taak was in déze universiteit
naast die van de opbouw van een geologisch en fysisch geografisch instituut en de
verzorging van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Die vraag werd, haast
vanzelfsprekend, verschillend beantwoord, op grond van een individueel ver-
schillende achtergrond, belangstelling en beoordeling van de situatie. Hoewel
ieder hier tot op zekere hoogte uit eigen verantwoordelijkheid prioriteiten moest
stellen, stond de ruimte daarvoor ook weer niet los van de verdeling van andere
taken dan die in de verschillende leeropdrachten waren vermeld.
Zo was Wiggers al aan de V.U. verbonden voor het onderwijs in de geologie aan
biologen door zijn benoeming tot buitengewoon lector in 1958. Reeds betrokken
bij allerlei zaken vóór de benoeming van de twee andere docenten tot stand kwam,
was hij in 1960 de aangewezen man om tot hoogleraar-directeur van het Geolo-
gisch Instituut te worden benoemd. Door zijn aandeel in de opbouw van het
Instituut voor Aardwetenschappen heeft hij de V.U. grote diensten bewezen.
Met J.R. van de Fliert levert hij echter ook zijn bijdrage in het natuurweten-
schappelijk forum waarin zich in de jaren zestig nog hoofdzakelijk de discussie
over de vragen van n,geloof en wetenschap" voltrekt: de „Christelijke Vereniging
van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland", Van de Fliert als secretaris van
het bestuur van 1962 tot 1966, Wiggers als voorzitter van de redactie van haar
tijdschrift „Geloof en Wetenschap", van 1964 tot het verschijnen van het laatste
nummer in 1971.
296
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's