Wetenschap en rekenschap - pagina 507
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE PSYCHOLOGIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
Duits-georienteerde spoor en een inslaan van een op Amerika georiënteerd spoor.
Voorbeelden daarvan zijn niet moeilijk te vinden. Had Waterink gesteld dat de
psychologie „het wezen, de samenhang en de opbouw van het psychische gebeu-
ren in het menselijk leven" bestudeerde, in 1960 stelde Fokkema dat „het vinden
van psychologisch zinvolle gedragscategorieën, d.w.z. categorieën die een wetma-
tige samenhang met andere vertonen, de quintessens van de psychologische re-
search is". Tegenover de intuïtieve en op de uniciteit van de persoon gerichte
benadering van Waterink stelde Drenth in 1962 dat „volgens ons iedere empiri-
sche wetenschap qua talis nomothetisch van karakter is en (dat) de strikt idiogra-
fische denkwijze niet tot deze wetenschappelijke discipline behoort". Cassee liet
een soortgelijk geluid horen in zijn stelling „dat de klinische psychologie gefun-
deerd dient te zijn in de algemene experimentele psychologie" (1969). En tenslotte
maakten de breedvoerige verhandelingen van Waterink over meer concrete vra-
gen inzake onderwijs en opvoeding plaats voor gedetailleerde studies over be-
grippen als identificatie in de ontwikkelingspsychologie (de Wit, 1962) of zelfbeeld
in de sociale psychologie (Boekestijn, 1963). Vooral deze verschuiving trekt de
aandacht omdat zij in de lijn lijkt te liggen van de door o.a. Koch gepropageerde
strategie van „narrow-scale theories". Deze hield in dat de psychologie zich moest
afwenden van het opstellen van brede theorieën omdat deze veelal moeilijk em-
pirisch toetsbaar bleken te zijn, en zich daarentegen moest richten op „undramatic
attempts to develop narrow-scale theoretical formulations in which hypotheti-
co-deductive methods are used for the detailed exploration and initial integration
of restricted problem areas. Depending on the outcome of such effects, successi-
vely wider-scope formulations might be attempted" (1950, p. 300).
Toch zou het onjuist zijn als op grond van deze voorbeelden gesteld wordt dat de
psychologie-beoefening in deze periode positivistisch en behavioristisch van aard
was. Want ook al kan niet ontkend worden dat in bovenstaande uitspraken
duidelijke invloeden bespeurbaar zijn van het Amerikaanse denkklimaat, toch
waren zij daardoor slechts inzoverre geïnspireerd dat daaruit noties overgenomen
waren die een antwoord leken te bevatten op problemen die hier leefden. Zoals in
de inleiding tot dit hoofdstuk al opgemerkt is, hadden deze te maken met het
toenemend besef dat de aanvankelijk gehuldigde idealen over de mogelijkheden
van de psychologie veel te hoog gegrepen waren en dat het, gezien de vaak diep
ingrijpende consequenties van psychologische adviezen en beslissingen, alleen al
uit ethisch oogpunt onverantwoordelijk was om zonder nader onderzoek te stellen
dat de intuïtie van de psycholoog een bruikbaar en betrouwbaar instrument was
om tot deze adviezen te komen. Drenth bracht dit punt naar voren in o.a. zijn
kritiek op de grafologie, waarbij hij stelde dat „als men zich realiseert welke grote
persoonlijke belangen met het advies gemoeid zijn, men zal instemmen met de eis
van wetenschappelijke juistheid van gegevens en de methode van verzamelen van
deze gegevens . . . D i t . . . brengt ons ertoe een onderzoeksmethode ontoereikend
te achten totdat het tegendeel blijkt" (1963). Ook de Wit's signalering van een
gebrek aan kennis omtrent de factoren die de ontwikkeling van het kind bevor-
501
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's