Wetenschap en rekenschap - pagina 471
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
SOCIOLOGIE, N E D E R L A N D EN DE VRIJE UNIVERSITEIT
psychologie, voor pedagogiek en voor sociaal-culturele wetenschappen, waarmee
dus deze nieuwe opleidingen zich emancipeerden van de oude faculteiten. In het
eerste Academisch Statuut bestond het kandidaatsexamen uit een groot aantal
inleidingen (b.v. tot sociologie, filosofie, psychologie, economie e.d.) zonder enige
structuur en het doctoraal examen uit sociologie, sociale psychologie, arbeidsrecht
en een keuzevak. Dat veranderde ook en wel zodanig dat hoofdvak werd (al naar de
opleiding waarover het ging) sociologie, politicologie, niet-westerse sociologie of
culturele antropologie. Ten einde nieuwe ontwikkelingen te kunnen opvangen
omschreef het Academisch Statuut het doctoraal als bestaande uit een hoofdvak
(één van de vier hierboven genoemde) en twee (niet met name genoemde) bij-
vakken. Geen schokkende feiten, want de praktijk was toch al tegemoetgekomen
aan de tekorten van het vorige Academisch Statuut, maar toch symbolisch en zelfs
wel iets meer dan dat, voor de plaats van de vier sociale wetenschappen.
In deze periode komt de sociale impact van de sociologiebeoefening eigenlijk al
steeds sterker voor de dag. Er is geen ongeschokte overtuiging dat de sociologie de
vragen waarvoor zij gesteld wordt wel op de juiste wijze aanpakt, hetgeen haar
weer brengt tot het stellen van nieuwe problemen. Het inzicht dat allerlei goede (!)
dingen, die het beleid wil, gefrustreerd worden door heersende machtsverhou-
dingen, plaatst het verschijnsel macht weer in de belangstelling; de gebrekkige
aansluiting tussen onderzoek en beleid maakt dit laatste zelf tot een belangrijk
sociologisch vraagstuk. Er zijn trouwens weinig terreinen meer waarop de socio-
logie niet haar woordje zegt. Naast het feit dat de samenleving deze wetenschap en
verwante, zoals de sociale psychologie, met aandrang vaak ongerichte en ondui-
delijke vragen blijft stellen, is het ook een feit dat bij andere een duidelijke
verandering van juist de vraagstelling te bespeuren valt. In 1964 schrijft Van
Doorn: „Maar evenmin kan de socioloog zich onttrekken aan de gegeven, vaak
dwingende institutionele oplossingen en waarden, die hem verplichten tot het
opbrengen van een loyaliteit, welke ook van anderen wordt verwacht.'"*" Het is nog
wel de tijd waarin stemgedrag wordt bestudeerd, belangstelling is voor de mate
van kerkelijkheid, respectievelijk onkerkelijkheid, voor stakingsgedrag (bij wilde
en „gewone" stakingen), voor de loop van geboorte- en sterftecijfers, maar daar-
naast is er de merkbare notie dat er meer aan de orde is: dat structuur, macht,
organisatie en leer van de kerk onderzocht moeten worden, dat macht en gezag,
organisatie en structuur van de onderneming met de staking te maken hebben, dat
de organisatie van de arbeid met het grote ziekteverzuim samenhangt, dat het
stemgedrag niet bestudeerd kan worden zonder de politiek (het beleid) zelf en de
politieke orde. Tenslotte begint ook langzaam de vraag op te komen naar het
manipuleren van, respectievelijk het gemanipuleerd worden door de sociologie.
465
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's