Wetenschap en rekenschap - pagina 78
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J. VEENHOF
der de oudtestamentici af. Maar tot dusver was de wetenschappelijke verant-
woording van deze positiekeuze voor haar een ongelooflijk zware taak. Door deze
tij kentering treedt echter in de situatie verandering in. „Waar zich van alle zijden
de oppositie tegen de heerschende school gelden doet, zal onze stem niet langer
klinken als van een eenzamen vogel over de wijde vlakte." De tij-kentering stelt de
gereformeerde theologie intussen ook de eis om zich met volle energie te werpen
op de oudtestamentische problemen. Nu op het gebied van de oudtestamentische
wetenschap een nieuwbouw aan de gang is, moeten wij trachten „daarin een door
ons gewenschte teekening te brengen."'
Aalders accentueerde toen reeds — en hij zou dat al die jaren blijven doen — dat
het de taak en roeping van de gereformeerde theologie is haar eigen weg te gaan.
De gereformeerde beoefening van de oudtestamentische wetenschap heeft z.i.
haar krachten vooral te wijden aan de bestudering van het begrip en de geschie-
denis der openbaring.^
In navolging van Kuyper betitelt Aalders de inleidingswetenschap, die de wording
van het Oude Testament onderzoekt, als canoniek. Dit vak wil Aalders beoefenen
vanuit het „geloofsstandpunt" — hij vindt het een eis van echte wetenschappe-
lijkheid daaraan openlijk uitdrukking te geven — dat aan de Schrift onfeilbaarheid
en goddelijke autoriteit toekomt.' Intussen is het Woord Gods toch door mensen-
handen geschreven. De auctor primarius nam auctores secundarii in dienst.
Daarom is het de taak van de canoniek „zo ver en zo goed als dit mogelijk is een
onderzoek naar de werking zowel van den Goddelijken als van den menselijken
factor in te stellen".^ De daarbij te volgen methode wil hij wel historisch, maar niet
historisch-kritisch noemen. In het historische ligt het kritische reeds opgesloten;
opzettelijke toevoeging van „kritisch" bevordert „de hypertrophic van de kri-
tiek".' In deze standpuntbepaling sluit Aalders duidelijk bij Kuyper aan en stemt
hij met Grosheide overeen.
In zijn vele exegetische werken — commentaren en monografieën — gaat Aalders
vanuit zijn apriori uitvoerig in op literair-historische vragen. In verhouding daar-
mee krijgt het „theologisch", wil men: het kerygmatisch gehalte van de teksten
minder accent.Wanneer hij op theologische vragen ingaat, fungeert de gerefor-
meerde dogmatiek, m.n. die van Kuyper, veelal als kompas en norm. Ook daarin
staat Aalders naast Grosheide. Als er verschil is, ligt dit hierin, dat Aalders soms
exacter argumenteerde en formuleerde, terwijl Grosheide de stof levendiger pre-
senteerde. Evenals Grosheide heeft Aalders veel energie geïnvesteerd in de tot-
standkoming van de nieuwe Bijbelvertaling.'"
In 1922 werd H. Bavinck opgevolgd door diens leerling V. Hepp( 1879-1950).
Reeds in zijn proefschrift had Hepp zich doen kennen als een man, die het
vermogen bezat de vraagstukken systematisch aan te vatten en met scherpzinnig
opgezette redeneringen daarvoor een oplossing af te bakenen." Het thema van zijn
dissertatie — het algemene getuigenis van de Heilige Geest — heeft Hepp blijvend
geboeid. Het vormt een karakteristiek bestanddeel van zijn denken. Daarom volge
74
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's