Wetenschap en rekenschap - pagina 537
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR FILOSOFIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
Kortom, het,,christelijke" van de wijsbegeerte werd gezocht in de relativering van
haar autonomie, nader, in haar relatering aan de theologie. Van een kerstening
van de wijsbegeerte als zodanig was evenwel geen sprake. En hiervan behoefde
ook geen sprake te zijn, omdat de mens met zijn redelijk vermogen volgens het
katholieke dogma door de zondeval ook niet geheel verdorven was, slechts ver-
wond vanwege het verlies van de bovennatuurlijke genadegave. De laatste zou
overigens in de christelijke kerk door het heilig doopsel herkregen kunnen worden.
Kuyper zag dit scholastieke supranaturalisme als strijdig met het bij bels-reforma-
torisch zicht op de mens als een schepsel dat juist in zijn ,,natuurlijk" leven en met
al zijn doen en laten coram Deo, dit is voor het aangezicht van God verkeert. Dus is
de zondeval ook meer dan een verlies geweest van bovennatuurlijk leven. De
zondeval is een algehele ontsporing gebleken, uitlopend op een radicale verdor-
venheid van de menselijke natuur zelf. Omgekeerd beoogt Christus' verlossing nu
ook een integrale levensvernieuwing van de mens, niet slechts de bovennatuurlijke
aanvulling en heling van zijn natuurlijk bestaan. Vandaar Kuypers beroep op het
calvinisme als een derde hoofdstroom van het moderne geestesleven naast het
modernisme en romanisme (HC 24). Vandaar ook het voor Kuyper zo essentiële
onderscheid van reformatie en scholastiek!
Waar Kuyper in dit verband het calvinisme naar voren schoof, ging het hem dus
niet om een kerkelijke of confessionele positiekeuze (bij voorbeeld ten gunste van
het gereformeerde kerktype of de calvinistische predestinatieleer), maar om een
algemene levens- en wereldbeschouwing, een religieuze grondconceptie, een ge-
zuiverde vorm van christendom, die haaks zou staan op het romanisme en die een
nieuwe visie had op de verhouding van God, mens en wereld (HC 6, 11).
Een en ander raakt uiteraard ook het menselijk denkvermogen. Met recht kon
Kuyper wijzen op Calvijn, die het natuurlijke licht van de rede, steunpunt van de
middeleeuws-scholastieke wijsbegeerte, soms snedig gekarakteriseerd had als
„blinder dan mollen", ja, als oorzaak van veel verblinding, en die ook voor het
menselijk verstand de weg gewezen had van vernieuwing door Gods Geest en
verlichting door Gods Woord en dat met een beroep op de bijbel zelf (Rom. 12:2,
Ef.4:23).2
Aan de jonge universiteit was er dus alleszins reden om in de wetenschap en met
name ook in de wijsbegeerte andere wegen te verkennen en in te slaan. Dat deze
nieuwe wegen veelal doodliepen of terugbogen naar oude paden, zoals nog nader
zal blijken, komt mede omdat sedert Melanchthon het scholastieke denkpatroon
op protestants erf was overgenomen en in ons land de gereformeerde theologie
vanaf de 17e eeuw in toenemende mate gemodelleerd had. In zijn Encyclopaedie
der heilige godgeleerdheid, deel I, werd dit door Kuyper omstandig aangetoond.
Kortom, de katholieke scholastiek vanaf de middeleeuwen en de protestantse
scholastiek vanaf de hervorming leken al spoedig op elkaar als twee druppels
water. Zo gezien, zou men de eerste decenniën van de Vrije Universiteit, die zich
uitstrekten tot in de jaren twintig, niet alleen een tijd van wijsgerige verkenning
maar ook een tijd van wijsgerige worsteling kunnen noemen, een worsteling om los
531
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's