Wetenschap en rekenschap - pagina 370
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
A TH VAN DEURSEN
eeuw hadden de juiste methode ontwikkeld, en de vele uitgegeven bronnen le-
verden het materiaal. Waartoe nog langer gewacht? Blok kwam dus met zijn
Geschiedenis van het Nederlandsche Volk in acht delen. P.L. Muller had er drie
nodig voor de Geschiedenis van Onzen Tijd, en nog eens drie voor Onze Gouden
Eeuw. Dat zijn slechts voorbeelden. De bibliografieën van H. Brugmans, van
Japikse, en vooral van Colenbrander bereiken een haast duizelingwekkende om-
vang.
Soms kon de vorm er onder lijden. Er waren in deze groep wel enkele vaardige
stilisten, zoals G.W. Kernkamp bij de jongeren en S. Muller Fzn bij de ouderen.
Muller moest schrijven om uitdrukking te kunnen geven aan zichzelf. „Slechts met
de pen in de hand voel ik de noodige zielsrust".'" Bij de meesten is niet goed te zien
hoe hun publicaties konden dienen tot nadere bekendmaking van hun eigen
identiteit. Het schrijven was hun een opgelegde plicht, die ze met grote toewijding
vervulden: het Nederlandse volk moest zijn geschiedenis krijgen. Veel persoon-
lijks lag er in dat werk niet. Daarom bleef het meestal niet leven. Maar het gaf
ontzaglijk veel, en dat doet het nu nog. Christopher Hill verzucht ergens, dat hij
dikwijls meende iets nieuws over de Engelse burgeroorlog te hebben ontdekt, dat
hij dan later eens terloops aantrof in een verscholen alinea bij S.R. Gardiner.
Overkomt ons het ook niet met Mullers Gouden Eeuw of Brugmans' Amsterdam?
De Nederlandse historici van de vroege twintigste eeuw bestudeerden bij voorkeur
de bloeitijd van de Republiek en de opstand tegen Spanje. De bekendste uitzon-
dering vormt Colenbranders in 1897 verschenen dissertatie over de patriottentijd:
klassiek voorbeeld van een uitzondering die werkelijk de regel bevestigt. Colen-
branders generatie dacht en voelde nationaal. Ze zocht in de geschiedenis de
kracht en waarde van het Nederlandse volk, en vond die in de gouden eeuw.
Colenbranders bepruikte patriotten zijn niet meer dan zielige marionetten van
buitenlandse diplomatie, en bijna een halve eeuw lang handhaafde zich de voor-
stelling dat studie van de Bataafse tijd weinig kon bijdragen tot de glorie van het
Nederlandse verleden.
Vanuit het grote verleden moest men natuurlijk wel oog hebben voor het belang
van de economische geschiedenis. Aanvankelijk bleek dat alleen bij de meest
oorspronkelijke van Fruins leerlingen, Samuel Muller Fzn. Misschien heeft zijn
benoeming tot archivaris te Utrecht in 1874 de ontwikkeling van de economische
geschiedenis wel vertraagd, want Utrecht eiste zijn aandacht voor andere vragen.
Omstreeks 1900 echter valt nieuw leven te bespeuren. H. Brugmans mag genoemd
worden als een van de pioniers. Zijn „Handel en nijverheid. Amsterdam in de
zeventiende eeuw", dat in 1901 uitkwam, riep reeds de hulp in van de statistiek om
een antwoord te krijgen op de vraag of de achteruitgang van de handel direct na
1648 was begonnen. Posthumus wees het later aan als de eerste Nederlandse
poging, problemen van conjunctuur-historische aard te benaderen."
De toekomstige grootmeester van de economische geschiedenis was zelf in 1901
nog student. Zijn eerste proeve leverde hij in 1909, in een dissertatie over de Leidse
lakenindustrie gedurende de middeleeuwen. Het Overzicht van 1904 had Posthu-
364
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's