Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Gesprekken over honderd jaar Vrije Universiteit - pagina 207

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gesprekken over honderd jaar Vrije Universiteit - pagina 207

2 minuten leestijd

„Ik ben in '57 curator geworden van de Amsterdamse

Universiteit. Later, na 1962, was ik het ambtshalve als

wethouder van onderwijs. Ik herinner mij nog wel vagelijk

overleg met bijzondere instellingen, met name over finan-

cieringsvraagstukken, de hoogte van de rijkssubsidie,

maar veel contact had ik toch niet met de V.U.

Met dat al, ik heb uiteraard kunnen waarnemen dat de

V.U. uitgroeide van, om zo te zeggen, drie en een halve

faculteit naar een volwaardige, alles omvattende, grote

universiteit. Daarover kan ik mij als Nederlander verheu-

gen, net als over het bestaan van ieder ander volgroeid

Nederlands instituut. Iets soortgelijks voltrok zich trou-

wens ook in Nijmegen. Ik was in 1923, zeker ook wel als

leerling van Bolkestein, die ons, mij in elk geval, onder

andere historisch leerde relativeren, weinig gelukkig ge-

weest met het oprichten van de Katholieke Universiteit.

Maar met dat al, de V.U. is, volgroeid of niet, nooit een

actueel vraagstuk in mijn leven geweest.

Inzake het heden vraag ik mij wel één ding af, al verheug ik

mij, zoals ik al zei, als Nederlands staatsburger over de

bloei van welke wetenschappelijke instelling dan ook. De

vraag is, of die grotere openheid van de V.U. iets is, dat

door de oorspronkelijke dragers van de V.U. wordt gezien

als een verwatering, als een „verflauwing der grenzen", als

een toenemende wereldgelijkvormigheid? Of wordt dit

alles óók in de confessioneel-gereformeerde wereld zelf

ervaren als „een uitleiding uit het diensthuis"? Voelt men

zich nu in de ruimte gezet? En zo ja — ik zeg het nu wat

paradoxaal — wanneer men zich over deze ontwikkeling

ook binnen eigen V.U.-kring hartelijk kan verheugen, op

welke gronden blijft men dan nog voorstander van confes-

sioneel gefundeerd wetenschappelijk onderwijs?

Dit vind ik een centrale, ook een erg boeiende v r a a g . . . .

Als die ontwikkeling naar grotere openheid, naar plurifor-

miteit, wordt gewaardeerd, toegejuicht, bevorderd, is het

dan nodig dat de beoefenaren der wetenschap aan zo'n

instituut werkelijk allemaal eensgeesles zijn? Of komt het

óók kerk en christendom juist méér te stade, wanneer men

binnen zo'n pluriforme instelling van onderwijs en onder-

zoek zijn werk doet? Ik laat de leerstellige godgeleerdheid

even buiten beschouwing. Misschien is dat een probleem

op zich.

Dat is voor mij de centrale vraag, als ik naar aanleiding van

ons gesprek aan de V.U. denk.

Is de huidige ontwikkeling verwording? Ziet men dit in de

203

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980

Publicaties VU-geschiedenis | 332 Pagina's

Gesprekken over honderd jaar Vrije Universiteit - pagina 207

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980

Publicaties VU-geschiedenis | 332 Pagina's