Wetenschap en rekenschap - pagina 50
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J. V E E N H O F
aanstonds, toen zij op 20 October 1880 haar poorten opende. Drie van de vijf
hoogleraren waren verbonden aan de theologische faculteit; de juridische en de
litteraire faculteit hadden er ieder slechts één. De eerste vijf studenten, die werden
ingeschreven waren allen theologen. De drie professoren, die samen de theologi-
sche faculteit gingen bemannen, waren A. Kuyper (1837-1920), F.L. Rutgers
(1836-1917) en Ph.J. Hoedemaker (1839-1910). De initiatiefnemers hadden in de
tijd van voorbereiding ook andere geestverwante theologen pogen aan te trekken,
in Nederland en daarbuiten. H.H. Kuyper zegt in een terugblik schertsend, „hoe
men Duitschland en Zwitserland heeft afgereisd op professorenvangst".^
Slechts in één geval leidden de pogingen tot het gewenste gevolg. Lic. F. W.J.Dilloo
(1841-1892), predikant bij de gereformeerde gemeente in Soldin (Pruisen) had
zich beschikbaar gesteld. Hij werd aan de litteraire faculteit benoemd voor de
oosterse talen en de exegese van het Oude Testament, zij het ook, dat een goed deel
van zijn activiteiten zich binnen de theologische faCulteit zou gaan afspelen. Hij
zette op haar echter geen eigen stempel.'
Kuyper, Rutgers en Hoedemaker — zij vormden tezamen een sterk trio. Het waren
theologen, die bij het van start gaan van de faculteit elk reeds een duidelijke
signatuur vertoonden. Over de theologische inzet van elk van hen wil ik iets
meedelen, voorzover dit voor de ons intrigerende historie van belang is.
Om met Kuyper te beginnen: opmerkelijk is, hoe hij in zekere zin als een komeet,
plotseling, aan de hemel van de vaderlandse kerk en theologie verschijnt. Vanuit
zijn moderne achtergrond zoekend naar een nieuwe oriëntatie, werd hij niet
bevredigd door de richtingen, die toen binnen de orthodoxie de toon aangaven. De
utrechtse school onder leiding van Doedes en Van Oosterzee met haar historische
bewijsvoering voor de realiteit van de heilsfeiten boeide hem in het geheel niet. De
ethische richting van D. Chantepie de la Saussaye en Gunning met haar accen-
tuering van het ethisch, d.i. existentieel karakter der bijbelse waarheid, legde
slechts voorbijgaand beslag op zijn geest.'' Wat een keer in zijn leven bracht was de
ontdekking van het aloude Calvinisme als een levende maar nog verscholen kracht
in de kringen der gereformeerde vromen. Die ontdekking bepaalde voortaan de
koers van zijn leven en streven. Hij wilde de kracht van het gereformeerde geloof
in theologie en kerk, in wetenschap en samenleving tot gelding doen komen door
dit „in rapport" te brengen met de eigen tijd.^
Welke richting wilde Kuyper nu uit in de theologie? In zijn beschouwingen over de
theologie in de periode rondom 1880 keren steeds twee fundamentele gezichts-
punten terug, die ons in dit opzicht nader informeren. In de eerste plaats: het
bederf in de theologie is te wijten aan buitenlandse invloeden. Concreet valt
hierbij te denken — Kuyper dacht er zelf ook aan! — aan de ethische theologie, die
sterk door Schleiermacher en de duitse Vermittlungstheologie gestempeld was.
Derhalve moet de theologie gezuiverd worden van uitheemse bestanddelen. Zij
dient weer echt nationale theologie te worden. Daarvoor is nodig — dit in de
tweede plaats — dat de theologie terugkeert naar ,,de vaderen", naar de theologie
van ,,de bloeitijd", de era van Voetius en de zijnen.* Vermeldenswaard is in dit
46
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's