Wetenschap en rekenschap - pagina 496
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
C. S A N D E R S / L . K. A. EISENGA
Het was nu deze wetenschapsopvatting die hem tot de stelling bracht dat de
psychologie weliswaar empirisch beoefend diende te worden, maar in wezen een
theoretische wetenschap was: „Registreeren van de verschijnselen is niet genoeg,
men moet ook ordenen en classificeren. En dit is niet mogelijk zonder leidende
gezichtspunten (die men) niet aan de empirie, maar aan eigen inzicht ontleent. De
zielkunde, hoe empirisch beoefend ook, blijft steeds een wijsgeerige wetenschap.
Het verschil is alleen, of men zijne beschouwing van de mensch aan Plato, Aris-
toteles. Kant, Herbart, Wundt enz., dan wel aan de profeten en apostelen ont-
leent" (1897, p. 19-22; 1920, p. 13).
Vandaar dat hij tenslotte stelde dat de christen het volste recht had om zich in zijn
wetenschaps-beoefening te laten inspireren door zijn geloofsovertuiging, wat voor
de psychologie en de pedagogiek inhield dat zij geleid werden vanuit het beginsel
dat de mens een schepsel en een beelddrager van God waren. In concreto bete-
kende dit in de eerste plaats dat de mens een persoon was, een éénheid van
lichaam en ziel en een éénheid van willen, denken en voelen. In de tweede plaats
dat ook al was de mens een individu, hij toch ook geplaatst was in een gemeen-
schap met de daarbij behorende verantwoordelijkheid voor zijn medemens.
Omdat hij in zijn uitwerking van deze beginselen vooral naar de opvoeding en het
onderwijs keek, laten wij deze hier rusten en gaan over tot een bespreking van het
werk van Waterink om te zien hoe deze leidraad in de psychologie gestalte kreeg.
Dit omdat Waterink in grote lijnen dezelfde mensvisie huldigde als Bavinck, maar
anders dan deze zich daadwerkelijk beziggehouden heeft met de beoefening van
de psychologie.
Psychologie als hulpverlening
Wie echter het werk van Waterink benadert met de verwachting daarin een
concrete uitwerking te vinden van zijn streven naar de „opbouw ener psychologie
vanuit de calvinistische visie" wordt teleurgesteld. In de woorden van Wielenga:
„Waterink komt niet verder dan het poneren van de mogelijkheid, ja de noodza-
kelijkheid van een christelijke psychologie, tot een concreet maken van deze
stelling komt hij, helaas, niet. Hoezeer ook geïnteresseerd in theoretische, op de
grens van het metapsychische liggende vragen — hij heeft vooral psychologie
bedreven met het oog op de praktijk van de hulpverlening, het adviseren van
jongere en oudere mensen, het helpen van jeugd in nood, het opleiden van
professionals op beide gebieden" (1966, p. 6, 8). Van dat laatste getuigen o.a. zijn
oprichting van het „Psychotechnisch laboratorium der Vrije Universiteit" (1927)
en het „Paedologisch Instituut" (1931).
Dit wil overigens niet zeggen dat hij geen psychologisch systeem of, beter, aan-
schouwingswijze bezat. Deze had hij wel degelijk, zij het dan in een zeer per-
soonlijke vorm en slechts tot uitdrukking komend in de praktijk van zijn hulp-
verlening. Dit persoonlijke aspect van zijn psychologische denkbeelden school niet
490
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's