Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 338
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
het was nog vaak ,liefdewerk', onbezoldigde arbeid dus, en er werd wel
eens smalend van ,damesevangelisatie' gesproken, maar er werd althans
iets gedaan en er kwamen mogelijkheden om totnogtoe ongebruikt talent
te benutten. Elisabeth had graag diacones willen worden, schrijft ze
(11-5-81). Daar is het niet van gekomen. Wel heeft ze een tijd gewerkt bij
haar tante, mevrouw De Haan, die in haar huis te Utrecht onderdak gaf
(geheel kosteloos!) aan zendelingszoons, die voor hun schoolopleiding
naar Nederland gezonden waren. Ze heeft dit werk met plezier gedaan, al
viel het haar niet altijd mee, en ze heeft het in haar brieven wel over „mijn
jongens". Ongemerkt deed ze zo heel wat ervaring en mensenkennis op.
Julius Esser zou ervan profiteren!
De briefwisseling
Het eerste briefje van Elisabeth aan Julius, een bedankje voor een geleend
boek, dateert van 13 november 1871. Bovenaan schrijft ze: „Ps. 27:14".
Daar staat in de Statenvertahng; Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij
zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE. Haar latere brieven
zullen bijna één voortdurende uitwerking zijn van dit thema.
Van regelmatige correspondentie is echter pas sprake als Julius op het
punt staat naar Indië te vertrekken. Hij heeft van toen af al haar brieven
bewaard en de velletjes keurig genummerd, ongeveer 650 bladzijden, zodat
we kunnen constateren dat het overgrote deel behouden gebleven is. Ze
lopen van april 1879 tot 15 januari 1887. Elisabeth is Julius' brieven
blijkbaar eerst later gaan bewaren. De oudste is van 10 oktober 1880 en de
laatste van 31 mei 1883. Waarschijnlijk zijn er dus later brieven verloren
geraakt. Toch omvat Julius' correspondentie nog bijna 300 bladzijden.
Het initiatief tot de briefwissehng is van Julius uitgegaan. Hij wilde „de
vrouw leren kennen" (totnogtoe had hij alleen maar een paar ongelukkige
liefdes achter de rug) en per brief allerlei vraagstukken met haar bespre-
ken. Elisabeth heeft eerst wel geaarzeld op dit ongebruikelijk voorstel in te
gaan. „Daar zit ik nu weer met uwe vragen. Er zijn er die mij verlegen
maken" (het ging over ijdelheid bij de vrouw) (8-6-79). En haar brieven
beginnen voorzichtig met: Waarde Juul, of: Lieve vriend.
Maar al op 27-7-79 schrijft ze: „Al voortgaande kreeg ik er plezier in
omdat ik bemerkte al gevende zelf te ontvangen" en ze belooft Julius ook
in Indië te zullen schrijven. „Ik stelde mij in uwe plaats en verbeeldde mij
hoe heerlijk ik het zou vinden in mijne eenzaamheid brieven, veel brieven
te krijgen uit Holland" (27-11-80). Haar aanvankelijke schroom om te
corresponderen met „een geleerde doctor in de Theologie en de medicij-
nen" (27-11-80) maakt plaats voor de overtuiging dat, als het hart maar op
de rechte plaats zit, „de uitingen ervan toch nog zoo heel dwaas niet zullen
zijn" (27-7-79). En inderdaad, haar fijngevoeligheid en oprechte idealisti-
sche vroomheid zouden ruimschoots goedmaken wat ze soms aan logische
argumenten tegen Julius' pessimistische redeneringen tekort kwam. Julius,
322
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's